Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behouden Ons voor om aan branders der vier eerste klassen, in wier belang dit wenschelijk mocht zijn, onder de noodige voorzieningen. hetzij eene korting op den trek, volgens de eerste zinsnede van het voorgaande artikel, te verleenen." Dit zegt, dunkt mij, aan ieder die Hollandsch leest, dat onder de noodige voorzieningen eene korting op den trek zal kunnen worden verleend, volgens de eerste zinsnede van het voorgaande artikel. Maar in de eerste zinsnede van art. 28 is geen sprake van korting. Ik vraag, of de meening niet is, te zeggen: „hetzij eene korting op den in de eerste zinsnede van het vorig artikel aangenomen trek te verleenen."

Ik onderwerp dit aan den Minister, daar de uitdrukking, in het ontwerp gebezigd, blijkbaar iets anders zegt.

Ik meen, — doch ook dit zij eene vraag aan den Minister, — ik meen mij niet te bedriegen,- wanneer ik aanneem dat de korting, waarvan in de 1ste alinea van art. 29 gewaagd wordt, de korting is bepaald in de 2de alinea. Duidelijk is het niet: het ontwerp is ook te dezer plaatse zeer slordig gesteld.

Eene gewichtiger vraag betreft de 2de alinea. Ik verzoek den Minister te gelooven, dat ik wensch mede te werken tot aanneming van dit ontwerp voor het oogenblik, doch bovenal eene herziening, die ik binnen het jaar noodig acht, te helpen voorbereiden. In de 2de alinea van art. 29 wordt eene korting toegestaan. Welke is de reden van die korting? De korting zal, volgens het ontwerp, altijd moeten worden toegestaan onder de voorzieningen, genoemd in de 1ste alinea van art. 29. Indien het billijk is die korting op den trek te verleenen, waarom den trek zoo hoog gesteld?

„Onder de voorzieningen," zeide ik, „in de 1ste alinea genoemd. Doch ik drukke mij niet juist uit: het ontwerp noemt de voorzieningen niet, maar laat die aan de willekeur der administratie over. Waarom die niet in de wet zelve beschreven? Kunnen zij door administratieve voorschriften worden geregeld, waarom niet door de wet? Dat dit thans nog aan de administratie wordt overgelaten, zal voor mij geen reden zijn om tegen dit ontwerp te stemmen, maar voor het vervolg zou ik daarvan de belastingplichtigen niet afhankelijk willen maken.

zes en vijftig vingerhoeden gedistilleerd van tien graden voor elk pond meel dat zij per vat ruimte hebben aangegeven te beslaan, onverschillig in welk der drie tijdperken boven genoemd; zullende nogtans de hoeveelheid meel, per vat beslag te bezigen, niet minder mogen wezen dan acht pond en vijf oneen gedurende het eerste en tweede tijdvak, en acht pond gedurende het derde tijdperk, en niet meerder mogen bedragen dan negen ponden vijf oneen in het eerste en tweede tijdperk, en negen ponden in het derde tijdperk."

Sluiten