Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijne hoofdvraag, ten aanzien der tweede alinea, is deze: zoo bet billijk is de korting te verleenen, waarom den trek zoo hoog gesteld ?

Wat de derde alinea betreft. Ik geloof dat de Minister terecht heeft beweerd dat men het Schiedamsche verlangen niet kan maken tot eenig beginsel van de wet. Het Schiedamsche verlangen is. dat men per pond meel aansla voor 56 vingerhoeden. De Minister beroept zich op de branders in Friesland, Drente en elders, die volgens den regel van art. 22 werken, en volgens dien regel werken ook de branders in Limburg. De Limburgsche branders, zooals blijkt uit het adres bij de Kamer ingezonden, beweren zelfs, dat zij niet anders kunnen werken, dan zich houdende aan den regel van art. 22. Wanneer dus de wet uitsluitend aannam hetgeen Schiedam wensclit, zou dit tegen het belang der andere branders zijn. Derhalve, ik kan goedkeuren dat er tweeërlei regeling blijve, omdat er tweeërlei wijze van werken schijnt te zijn.

Nu rijst echter de vraag: waarop rust de reden tusschen den aanslag, bepaald in de tweede zinsnede van art. 29, dat is het minimum waarvoor de branders worden gedebiteerd, die volgens den regel van art. 22 werken, en dus de volle hoeveelheid meel per vat beslag gebruiken, daar aangewezen — waarop rust, vraag ik, de reden tusschen die cijfers en het getal van 56 vingerhoeden per pond meel, waarvoor de andere branders worden aangeslagen? Ik verzoek den Minister bovenal mij zekerheid te willen geven dat die reden juist zij, dat wil zeggen, dat de brander, die aangeslagen wordt volgens de tweede zinsnede van art. 29, niet meer en niet minder betale dan de brander, die, werkende volgens de vergunning, welke hem bij gebruik van eene mindere hoeveelheid meel kan worden verleend, aangeslagen wordt volgens de derde zinsnede van art. 29. In het eene geval gebruikt men de hoeveelheid meel, die als maximum of fixum — hierover spreke ik thans niet — door de wet is bepaald; in het andere geval neemt men binnen de grenzen, die de derde zinsnede van art. 29 omschrijft, zooveel meel als men verkiest. Wat waarborgt nu, dat de belasting in beide gevallen gelijk zal worden gedragen, dat de brander, die op de eene wijze wordt aangeslagen, niet meer en niet minder betale dan hij, wiens aanslag op de andere wijze wordt geregeld? Ik vraag dit, en wensch vooral ook daarom zekerheid omtrent dit punt van den Minister te ontvangen, omdat in het adres, dat ons uit Limburg is toegezonden, beweerd wordt, dat die reden niet juist is. De Limburgsche branders beweren, dat de brander, die aangeslagen wordt naar de bepaling van de tweede zinsnede van art. 29, meer zal betalen dan hij. die, vooral gist wenschende te fabriceeren, gebruik maakt van de vergunning, in de 3de zinsnede van art. 29 bedoeld.

Ik vraag niet of de Minister mij toestemt dat de regeling der

Sluiten