Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet over stelsel, beginselen, gedachte van bestuur of wetsuitleg antwoord schuldig zijn; dan weder door bepaling van hun antwoord zelfs over feiten binnen de nauwste grenzen. In diezelfde richting scheen de Minister van Justitie mij nu om het recht van enquête een cirkel te willen trekken.

Desniettegenstaande herinnerde mij dat vertoog, hetgeen ik meen eens van een oud lid van het Engelsche Parlement, vroeger Minister, gelezen of gehoord te hebben. Er was sprake van een vroeger feit van bestuur, en daarbij werd gewag gemaakt van zekere redenen, die toen tot tegenstand van sommigen tegen dien maatregel aanleiding hadden gegeven. Het oud lid vliegt op en roept uit: „wie kan zoo iets — gezegd hebbend" Hij voegt er eene qualificatie bij, die ik niet herhalen zal. De geschiedenis van het feit wordt in een dagblad opgeslagen, en ziedaar, men vindt dat hij zelf de ongelooflijke redenen heeft bijgebracht. Hij weet niet beter te doen dan met Engelsche luim te hervatten: „Mijn naam? Dat moet eene drukfout zijn".

De Minister van Koloniën heeft drie redenen opgenoemd, waarom hij niet wenschte te spreken. Allereerst heeft hij gezegd en met bijzondcren nadruk herhaald: „omdat hij dit voorstel van enquête als ongrondwettig beschouwde". Ik zou gedacht hebben, dat die reden voor den Minister, hier als adviseerend lid tegenwoordig, in eene zaak vooral van koloniale administratie, niet een motief kon zijn om te zwijgen, maar om te spreken. Nu evenwel de Minister goed gevonden heeft het voorstel voor ongrondwettig te verklaren, zou ik zeer gewenscht hebben, dat hij zich niet vergenoegd had met die sententie, maar dat hij de gronden had opgegeven. Ik zou zeer verlangend zijn die gronden te leeren kennen en met den Minister van Koloniën, met wien ik vroeger andere punten bijzonder gaarne naging, in deze vergadering te discuteeren. Waarom is dit voorstel ongrondwettig? Hij gelieve dit te verklaren. Zóó ver, als hij, is tot dusverre niemand, naar ik weet, zelfs niet de Minister van Justitie, gegaan.

De geachte spreker uit de residentie heeft gisteren, gelijk meermalen — ik hoop niet tot mijne verhoovaardiging, — een woord van mij hoog laten klinken. Een woord, aan het eind der discussie van den lOden December geuit, het woord eerlijkheid. Ik had gezegd, dat de Minister van Financiën, zooveel ik wist, van hetgeen hij daaronder verstond geene bepaling had gegeven. Het is, zegt de spreker uit de residentie, „den afgevaardigde uit Maastricht waarschijnlijk ontgaan, dat de Minister zoodanige bepaling wel had gegeven." Inderdaad, Mijnheer de Voorzitter, dat was mij ontgaan, maar zeer terecht; want hetgeen de spreker uit de residentie bedoelt, had niet den minsten samenhang met het punt, waarop mijne woorden betrekking hadden. Zij hadden uitsluitend betrekking

Sluiten