Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik ondersteun hetgeen zoo even door den geëerden voorsteller der enquête is gezegd. Het voorstel van den geachten afgevaardigde uit Assen is. dunkt mij, een voorstel tot vervanging van het voorstel van den geachten afgevaardigde uit Alkmaar, meer dan een amendement.

Het kan eerst in omvraag worden gebracht, nadat het oorspronkelijk voorstel, zooals het ligt, zal zijn afgestemd. Ik meen dat dit laatste in allen geval den voorrang heeft.

De voorzitter bleef bij zijn voornemen eerst het amendement in stemming te brengen.

Het is hier wel voorgekomen, dat een lid der Vergadering, nog wenschende te spreken, het woord „motie van orde' te baat nam, zonder dat men in zijne rede eene motie van orde kon ontdekken. Zoo is het ook thans de vraag niet, of de geachte afgevaardigde uit Assen zijn voorstel een amendement heeft genoemd, maar of het .een amendement is. Mij schijnt het, evenals den geachten afgevaardigde uit Alkmaar, een voorstel bestemd om hetgeen ons door dezen werd onderworpen, te vervangen, indien dit door de Kamer mocht worden afgekeurd.

Alsnu besloot de Kamer het voorstel van den heer Rochussen hel eerst in stemming te brengen, waarna het verworpen werd.

16 Februari. Daarop werd 's anderen daags een voorstel van den heer van Hoëvell in behandeling genomen: de kamer mocht besluiten „eene commissie van vijf leden uit haar midden te benoemen, ten einde te onderzoeken, of, en in welken zin, een voorstel zal worden gedaan omtrent de middelen tot bestrijding of uitroeiing van het misbruik van sterkedrank".

De heer Groen van Prinsterer kwam aanstonds daartegen in verzet. Hij voerde daartoe drie redenen aan : verwerping van het voorstel was het eenige middel, om gisteren begaan onrecht — de ter zijde stelling van het amendement van den heer van Heiden Reinestein — te herstellen ; het voorstel steunde op miskenning van den aard en de waardij van het recht van enquête, immers het voorstel sloot het hooren van getuigen uit; ten slotte, het voorstel cijferde de uitkomsten weg, waartoe de kamer bij de discussiën over het voorstel van den heer Rochussen was gekomen. Immers, het bleef dan twijfelachtig of er een voorstel zou worden gedaan.

De geachte afgevaardigde, die de beraadslaging heeft geopend (de heer Groen), zeide. mij bedoelende: „De spreker, tegenover mij gezeten, heeft ons in het vuur gebracht. Hij zal ons, hij moet er ons ook weêr uitbrengen."

„Het vuur." Mij dunkt, het is een vuur dat de geachte spreker zelf heeft aangelegd, en ik neem niet op mij ieder vuur te blusschen, dat hij stookt.

Thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1865—1856. 23

Sluiten