Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen gelooven. dat hij zich onbevoegd moet verklaren ? In alle geval mag over dergelijk punt geen twijfel hoegenaamd blijven zweven.

Het amendement werd met 31 tegen 17 stemmen verworpen.

Artikel 6. „De banken worden beheerd door een eigen bestuur, dat geene belooning geniet.

„Artikel 147 der wet van den 29sten Juni 1851 (Stbl. no. 85) is op de benoeming van dat bestuur van toepassing."

Ik zal nogmaals de vrijheid nemen, een amendement voor te stellen. Ik geloof toch, dat men zich niet moet laten leiden door het lot zijner voorstellen, maar door zijne overtuiging. Ik stel voor art. <i aldus te lezen: ,De banken worden beheerd door een bestuur. dat volgens art. 147 der wet van 29 Juni 1851 (Staatsblad. no. 85) wordt benoemd."

Ik zie namelijk vooreerst geene reden, waarom hier in de wet zou worden gezegd: een eigen bestuur. Bestuur is. dunkt mij. voldoende. Ten andere schijnt mij de bepaling in de wet, dat het bestuur onbezoldigd moet zijn, of geene belooning mag genieten, niet raadzaam. Ik wensch dit over te laten aan de reglementen. Schrijft de wet een bestuur voor, dat geene belooning geniet, dan zal men wellicht in onderscheidene gemeenten een ongeschikt bestuur met de zaak belast zien. Het toezicht over een onbezoldigd bestuur zal in den regel tamelijk krachteloos wezen; en zoo in eene gemeente, volgens de overtuiging van het gemeentebestuur, volgens Gedeputeerde Staten, volgens de Regeering, eene goede, juiste uitvoering van de wet niet anders te verkrijgen is dan door een bezoldigd bestuur, waarom niet vrijheid tot zulk eene samenstelling gelaten? Men vergete niet. dat een onbezoldigd bestuur in den regel het bestuur aan de bezoldigde ambtenaren overlaat.

Het amendement werd met 24 tegen 23 stemmen afgekeurd.

18 April. Artikel 23. Het ontwerp stelde voor, hetgeen de middelen der bank meer opbrachten dan de lasten bedroegen, te doen strekken: a. gedeeltelijk tot het vormen van een reservefonds, tot een zeker maximum, tot dekking der verliezen in andere jaren, b. „gedeeltelijk en. na bereiking van het maximum van het reservefonds, geheel" tot aflossing der kapitalen, die niet het eigendom zijn der bank en tot het aankoopen van de noodige lokalen en meubelen.

De heer Elout van Soeterwoude stelde voor, de woorden : „gedeeltelijk' en „gedeeltelijk en geheel" te schrappen.

Ik ondersteun het amendement, en meen daarvoor reden te vinden in het betoog dat wij van den Minister zooeven gehoord hebben. Het doel dat art. 23 voorschrijft, is tweeërlei: oprichting van een reserve-fonds, en verkrijging van eigen kapitaal: een en ander gelijktijdig na te streven. Het gelijktijdige van die bestemming zou worden gebroken door het amendement van den geachten

Sluiten