Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kamer niet voldoende voorkomen en aanvulling of controle door een bijzonder parlementair onderzoek behoeven.

Het komt hier inzonderheid op bezwaren over tolheffing aan; doch, zegt het Voorloopig Verslag: „bepaling van het bedrag van tollen is geen onderwerp van wetgeving

Ik beweer het tegendeel, Mijnheer de \ oorzitter. De vorige Minister van Binnenlandsche Zaken heeft zelfs, hier of in de Eerste Kamer, verklaard, dat de tollen door de wet zouden worden geregeld. Ik heb ook geene reden om te onderstellen, dat de tegenwoordige Kegeering te dien aanzien niet op den weg der vorige zal voortgaan. Zoo wij daarvan nog geene uitkomsten hebben gezien, het is geen onderwerp dat in korten tijd zijn beslag kan erlangen. Maar al ware tolhef fing geen onderwerp van wetgeving, zou men dan. het Gouvernement uitsluitend tot tolregeling bevoegd achtende, doch oordeelende dat zekexe tol tegen het algemeen belang is. den Minister daarover niet mogen interpelleeren, en, zoo men door zijne verklaring niet bevredigd wordt, een onderzoek mogen instellen, of het bezwaar gegrond en de tol strijdig is met het algemeen belang? Mij dunkt ja. Ik geloof dat wij daarmede nog een zeer bescheiden gebruik van onze bevoegdheid zouden maken, en niet anders dan onzen plicht doen.

Met betrekking tot de klacht, dat waterstaatsbelangen \ an de provincie Drente zijn gekrenkt, lees ik in het N oorloopig \ erslag: „De Grondwet heeft het oppertoezicht over de belangen van den waterstaat aan den Koning opgedragen. Met den aard van dat oppertoezicht zou zoodanige rechtstreeksche inmenging der Kamer, als iedere enquête medebrengt, niet wel overeen te brengen zijn. Ik trede niet in de vraag of de beweerde krenking wezenlijk heeft plaats gehad. Maar is zoodanige klacht voor enquête niet vatbaar? Zij. die dat beweren, ontkennen, dunkt mij, de ministerieele verantwoordelijkheid. Of is de Minister voor dat oppertoezicht en voor de wijze, waarop het wordt gehandhaafd, niet verantwoordelijk? Kan hierover nog twijfel bestaan? Zoo neen, dan gaat de Kamer, tot onderzoek van de gegrondheid dier klacht besluitende, hare bevoegdheid niet te buiten.

Voorts: „De behartiging en verzorging van bloot provinciale belangen is bij art. 131 der Grondwet aan de Provinciale en Gedeputeerde Staten opgedragen, en ofschoon zij die volgens art. 134, ook bij de Staten-Generaal kunnen voorstaan, zal toch het houden van een opzettelijk onderzoek daaromtrent wel vooral bij de eerstgenoemde colleges te huis behooren."

Ik zou genegen wezen te gelooven dat het voorstaan zeei weinig uitwerking zal hebben, wanneer het zoo wordt uitgelegd of behandeld als hier geschiedt. Waartoe het voorstaan bij de StatenGeneraal. tenzij om door hen belangen te doen beschermen, waai toe hunne medewerking onmisbaar is?

Sluiten