Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In dit geval hebben de Provinciale Staten onderzocht, en grieven aan de Tweede Kamer voorgedragen. Zal nu de Kamer aan de Staten antwoorden: het onderzoek behoort bij u te huis? Of zal zij. niet dan 11a eigen onderzoek in staat om te oordeelen. dat onderzoek instellen?

In deze geheele zank. Mijnheer de Voorzitter, is, mijns inziens, de hoofdvraag deze: Wordt de binnenlandsche scheepvaart door de tolheffing gedrukt? Wordt de twijfel daarover weggenomen hetzij door ministerieele inlichtingen, hetzij door inlichtingen van leden dezer Kamer, of van welke zijde ook, dan zal ik stemmen tegen het hier voorgestelde onderzoek. Maar ik twijfel, en zoolang ik geen genoegzaam licht zie zonder enquête, zal ik mij verplicht achten voor eene enquête te stemmen. Wetgeving en Bestuur hebben sedert de verandering van 1848 samengewerkt om niet enkel de buitenlandsche, maar ook de binnenlandsche scheepvaart te ontheffen ; wordt nu het bestaan van eenen voor de laatste, die wij bovenal moeten beschermen, schadelijken en onrechtvaardigen tol beweerd, en stelt de Regeeriug ons niet in staat daarover ons oordeel te vestigen, dan behooren wij ons daartoe door eigen onderzoek den weg te banen.

29 April- Interpellatie van den heer Van Hoëvell over de ontginningen in Indië. De heer Van Hoè'vell had geklaagd over de toepassing van het koninklijk besluit van 20 October 1850, betreffende het geven van concessiën tot mijnontginning. De partikuliere ondernemingsgeest, zei hij, werd meer erdoor afgeschrikt, dan aangewakkerd. Alhoewel artikel 4 van dat besluit voorschreef, dat de mijnonderneming door het koloniaal bestuur behoorde te worden bevorderd en beschermd door alle zoodanige middelen als, na overleg met de concessionarissen, het meest doelmatig zou worden geoordeeld, werd door concessionarissen steen en been geklaagd over naijver, wangunst en tegenkanting. Daarenboven werden, geheel tegen de bedoeling van het besluit van 1850 in, alle bestuurskosten, die als gevolg van de nieuwe ondernemingen en vestigingen noodig bleken, ten laste van de onderneming gebracht.

De minister poogde het betoog van den heer Van Hoëvell te weerleggen, door te wijzen op drie concessiën die na het besluit van 1850 waren verleend.

Eene enkele opmerking. Ik had liever vóór de tweede rede van den Minister het woord gevoerd, maar de Minister had het woord opgenomen vóór dat de Voorzitter had gevraagd of iemand nog het woord verlangde. Mijne opmerking heeft betrekking tot de eerste rede van den Minister.

Bij eene vroegere gelegenheid heeft die Minister zich verwonderd dat iemand niet goedvond hetgeen een Minister had gezegd. Ik vrees, dit zal den Minister nog meer dan eens gebeuren. Ook nu heeft hij zijne eerste rede begonnen met het zeggen, dat hij

Sluiten