Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijnheer de Voorzitter, ik zag het aan de orde stellen van dit verslag met verlangen tegemoet. Ik kon over de mededeelingen. die wij van den Minister van Buitenlandsche Zaken op mijne vraag hebben ontvangen, niet spreken alvorens het verslag was uitgebracht. Ik wenschte nu het woord daarover te voeren; ik heb onzen geachten President dezen ochtend verzocht, den Minister te waarschuwen dat ik over deze stukken en over dit verslag het woord zou vragen; ik verneem tot mijn leedwezen van den Voorzitter, dat de Minister, dien wij evenwel voor eenige oogenblikken hier hebben zien verschijnen, belet wordt om deze discussie bij te wonen. Het is mij voorgekomen. Mijnheer de Voorzitter, dat zijne behandeling dezer zaak in de zitting van 13 Maart, vergeleken met de stukken waarvan nu een ieder inzage heeft kunnen nemen, ons een getrouw afdruksel geeft van het karakter van het regeeringsbeleid van den Minister van Buitenlandsche Zaken in het algemeen. Mijne rede zal die stukken en den tegenwoordigen stand dei' aangelegenheid betreffen, maar ook tegen den Minister gericht zijn, en zoodanige rede wensch ik niet uit te spreken dan in zijne tegenwoordigheid. Ik wensch hem gelegenheid te geven aanstonds te antwoorden: daarom, nu de Minister — die, daar de zaak aan de orde was gesteld, daarvan niet onbewust kon zijn, zoodat de persoonlijke waarschuwing, hem op mijn verzoek geworden, niet eens noodig was, — belet schijnt ons hier met zijne tegenwoordigheid te vereeren, neem ik de vrijheid voor te stellen, de beraadslaging over dit verslag te verschuiven tot het tijdstip dat wij het geluk zullen hebben hem in ons midden te zien.

Sluiten