Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot voldoening aan zeer uiteenloopemie individueele behoeften vordert.

Ik vraag, hoe hier te verzoenen, hoe het gemoedsbezwaar aan de eene zijde, die der minderheid, weg te nemen, zonder op de meerderheid een ander, niet minder gewichtig, gemoedsbezwaar te brengen ?

Ook het vorig Ministerie zocht een middel van verzoening; dat Ministerie had in zijn eerste ontwerp van wet een artikel gelascht dat aan de meening van sommigen voldeed, doch door de groote meerderheid der Kamer met protest ontvangen werd. Tengevolge van dit protest bleef dat artikel uit het tweede ontwerp weg. Maar de verzoening trachtte het Ministerie evenwel voort te zetten in de Memorie van Toelichting. Ook die proef van verzoening werd van de zijde der overgroote meerderheid bejegend met protest. Wij hebben het antwoord niet ontvangen op het laatste verslag. Wij kennen dus het besluit van het vorig Kabinet niet anders dan uit hetgeen de Minister van Justitie ons nu heeft gezegd. Daaruit blijkt, dat het vorig Kabinet zijn middelen van verzoening uitgeput rekende. Derhalve, in de verzoenende strekking, wat dit onderwerp betreft, is er geen wezenlijk onderscheid, dunkt mij, tussehen het vorig en dit Ministerie. Het onderscheid bestaat slechts hierin, dat het vorig Ministerie zijne proeven van verzoening had gesloten, en het tegenwoordige de proefneming opnieuw wil beginnen.

Ik kan niet onderstellen. Mijnheer de Voorzitter, dat dit Ministerie nog zoekende zou zijn naar het middel. Ik mag niet aannemen, dat dit Kabinet de roeping zou hebben aanvaard om naar middelen van verzoening om te zien, zonder die middelen reeds voor den geest te hebben en zonder het vermoeden te zullen slagen. Op zoo lossen voet kan geen Ministerie in zijne taak treden, en dat is het minst van dit Ministerie te verwachten.

Derhalve — en dit is het besluit waartoe ik wenschte te komen — indien het Ministerie het goed vond, zou het niet alleen nu reeds iets kunnen zeggen over die middelen van verzoening, maar het had dit reeds kunnen doen alvorens de rede tot sluiting van de vorige zitting werd uitgesproken.

Verzoening! Dit Ministerie kan zoo min, als eenig ander, verzoening tot eiken prijs willen. Of zou het Ministerie, indien het eens vond dat de gemoedsbezwaren op misverstand of dwaling rusten, ook dan nog van oordeel zijn dat men de poging tot verzoening moest voortzetten y

Wij hebben gisteren eene tweede rede van den Minister van Justitie gehoord, en wanneer ik zeg, dat die rede mij nog oneindig meer genoegen heeft gedaan dan die van den vorigen dag. zal dit niemand bevreemden: maar wat het punt der verzoening aangaat, is daardoor voor mij geen helderder licht opgegaan. De Minister

Thokbeoke. Parlementaire Redevoeringen, 1856—1857. 2t>

Sluiten