Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft ons gezegd dat liet volk sedert eeuwen onder den invloed van het Christendom is gevormd; de wetgever, zeide hij. mag dit niet vergeten, hij moet daarop acht geven. Niemand zal dit betwisten, en zoo de Minister verder ware gegaan en verzekerd had. dat dit niet alleen van ons land maar van verreweg het grootste deel van Europa geldt, hij zou evenmin tegenspraak hebben ontmoet. De tegenwoordige beschaving hebben wij niet alleen in dit land. maar ook elders, hoofdzakelijk aan het Christendom te danken. „De wetgever moet daarop acht geven." Ik ben van het gevoelen van den Minister van Justitie. Doch ik geloof met. dat wij dit aan den wetgever behoeven te herinneren Hoe kan de wetgever, zelf onder het Christendom opgevoed en gevormd. zich aan den invloed daarvan onttrekken? Zelfs zij, die het Christendom verloochenen, kunnen dat niet. En de wetgever, opgerezen uit de natie, zou kunnen vergeten hetgeen ook dit volk aan het Christendom is verschuldigd? De Minister voegde er bij: „maar het is noch de taak van den wetgever, noch die van de Kegeering, voor de Christelijke opleiding der kinderen te zorgen • dat is de taak van anderen". Voor zooveel de Minister opleid in-' m het leerstellige bedoelt, verlangt de groote meerderheid der hamer niet anders; zoodat ons te verzoenen, indien de Minister dit wenscht, weinig moeite zal kosten.

Mag ik. Mijnheer de Voorzitter, dit punt eindigen met het uiten van een wensch. van welks vervulling de Minister mij niet verre af schijnt te zijn? Zoo eene verzoenende staatkunde moet gelden — verzoening is steeds een schoon woord, dat eene schoone gedachte uitdrukt — zoo eene verzoenende staatkunde moet gelden en noodig is, hoop ik, dat dit Ministerie het middel moge vinden, met om de wet met de petitionarissen. maar om de petitionarissen met de wet te verzoenen.

In de troonrede, Mijnheer de Voorzitter, wordt ons gezegd, dat de drie takken van het onderwijs te zamen zullen worden beregeld ; althans de voorstellen daartoe zullen gezamenlijk worden voorgelegd. Ik geloof dat dit vroeger, in den aanvang, het goede en eenig ware beginsel was. Maar is het dat nu. in den tegenwoordige^ toestand. nog? Is het nu. na hetgeen met liet lager onderwijs is gebeurd, niet te laat ?

In allen gevalle zal hierdoor worden bereikt hetgeen de spreker uit Leiden (de heer Groen van Prinsterer) sedert eenigen tijd tracht te weeg te brengen. De spreker drong vroeger op het ontvangen van het voorstel tot regeling van het lager onderwijs ijverig aan. Het scheen, alsof hij geen dag kon wachten; hij kwam er telkens op terug. Ik heb toen. Mijnheer de Voorzitter, wel eens de vrijheid genomen te voorspellen, dat wanneer dat voorstel kwam, de geachte spreker zou wenschen dat het niet gekomen ware en'

Sluiten