Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat bij zijne wording heeft voorgezeten, gedwongen om zijne kracht te zoeken in het volgen van den weg eener van de waarheid der feiten en toestanden uitgaande, en daardoor verzoenende staatkunde ..... door zich allereerst te stellen op den grondslag van erkenning en waardeering der actueele waarheid van feiten en toestandenNU behoort het toch. dunkt mij. tot de erkenning van den toestand waarin wij zijn, tot de waardeering van de actualiteit dat de Tweede Kamer der Staten-Generaal, na twee jaren lant met hooge belangstelling de voorstellen van wet tot regeling van het lager onderwijs te hebben onderzocht, een zeer bepaald gevoelen heeft doen blijken. Dit feit. hetwelk toch wel in aanmerking maworden genomen en waardeering verdient, is hetgeen in de zesde paragraaf — zoo ik de intentie daarvan wel begrijp _ aan de Regeering wordt voorgedragen. De Kamer wil vasthouden hetgeen zij meent gedaan te hebben, en zich zelve getrouw blijven^ De Kamer is bereid de voorstellen der Regeering af te wachten, maar zij wil niet laten vergeten en uitwisschen hetgeen geschied en haar werk is; zjj wil de overtuiging, die de groote meerderheid van hare leden steeds bezielt, openbaren.

Xog een enkel woord over de redenen die mij beletten zullen mijne stem te geven aan het amendement, door den geachten spreker uit de residentie, afgevaardigde uit Leiden (den heer Groen), voorgesteld. Ik heb tegen het amendement, op zich zelf geheel afgezonderd van de inleiding, meer dan ééne bedenking. Bijv m den beginne wordt gezegd dat de regeling van het lager onderwijs thans, m de hoofdtrekken „geen langdurig uitstel gedoogt". Regeling m de hoofdtrekken is geene organisatie. Ik vind in "die uitdrukking weer hetgeen ik. de geachte spreker neme het niet kwalijk, doorgaans bij hem meen te ontmoeten. Hij draait om eenige weinige algemeene, helaas absolute stellingen, die hij niet weet in het leven te brengen. Zouden wij in den tegenwoordigen stand der zaak, door ,eene regeling in de hoofdtrekken" zijn gebaat?

„Do behoefte van eene grootendeels Christelijke bevolkin-' " Ik weet de tegenwerping niet te ontgaan, dat de Grondwet ook'voor het kleine deel geschreven is. Daarenboven hangt hier alles af van den zin, waarin „ Christelijk" wordt verstaan. Wij weten, hoe verschillend Christendom begrepen wordt, ja hoe zeer die begrippen elkander uitsluiten.

Al had ik geen bezwaar tegen den tekst van het amendement, zou ik het toch verwerpelijk achten om de inleiding. Ik zou niet kunnen besluiten tot de aanneming van een voorstel, dat aangeraden wordt met de redenen die de geachte spreker heeft gebruikt Bij de overweging van het concept-adres in de afdeeling, waarvan ik de eer heb lid te zijn. gekomen aan deze paragraaf, antwoordde ik op de bedenkingen door sommigen geopperd, dat mij

Sluiten