Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zicht op aanstaande spoorwegen, evenmin ingetogen ware in liet geven van uitzicht op de beslissing der onderwijs-quaestie.

Ik heb eene vraag te doen over de noordelijke spoorwegen. Volgens den Minister zijn er drie aanvragen ingediend. „De vernieuwde aanvrage, waarvan de spreker uit Deventer heeft gewaagd. is vóór mijn tijd geschied." Maar het afschrift van het adres, dat ik voor mij heb. is gedagteekend 22 September 1856. Ik heb gisteren uit dat stuk voorgelezen, in welken omvang de concessie, die men daarin vroeg, werd verlangd. Nu zegt de Minister: .Die aanvraag moest ter zijde worden gelegd, omdat men reeds met anderen onderhandelde." Is dit in het algemeen wel juist ? Moet, omdat men met eene vereeniging onderhandelt, daarom de aanvrage van eene andere ter zijde worden gelegd? Mij dunkt, in het algemeen moet het Gouvernement trachten vrije hand te houden tot op het laatste oogenblik van de beslissing. Het voordeel van zoodanige handelwijze komt in de geschiedenis zelve, die ons de Minister heeft verhaald, aan den dag. De Minister heeft te doen gehad met drie aanvragen. Die, waarvan ik gewaagde, is ter zijde gelegd. Eene tweede aanvrage kwam van een vreemdeling. die garantie van interest begeerde, en het Gouvernement is niet genegen garantie van interest toe te staan. Er bleef dus alleen de derde aanvrage overig, en met die aanvragers wordt onderhandeld. Daarover zegt de Minister: „die onderhandeling kan leiden tot eene verandering van richting, en het zou onbillijk zijn aan de aanvragers eene verandering van richting op te leggen, zoo die verandering meer kosten veroorzaakte dan waarop zij hadden gerekend: het zou dus noodig kunnen zijn hen te subsidieeren." Maar de aanvraag, die de Minister ter zijde beeft gelegd, kwam van personen, die geen subsidie hoegenaamd verlangden, die den aanleg van een noordoostelijk spoorwegnet tot eene verbinding toe met Arnhem op de meest ruime schaal voorstelden, en zich aan de wijzigingen van richting, die het Gouvernement zou voorschrijven, wilden onderwerpen. Men zou dus, bij de oude aanvraag, waarover de Minister onderhandelt, blijvende, en die. waarvan ik sprak, afwijzende, zich in de noodzakelijkheid kunnen gebracht zien om een subsidie te verleenen, dat niet noodig zou zijn geweest indien een andere weg ware ingeslagen.

Spoorwegen moeten wij hebben, en zoo wij geene spoorwegen kunnen bekomen dan met verleening van subsidie, dan ben ik bereid daartoe mede te werken. Maar niet dan op zekere voorwaarden. Ik noem er twee. In de eerste plaats, moet men, dunkt mij, vooraf alles gedaan hebben wat noodig was om zijn doel zonder subsidie te bereiken. Ten andere vraag ik: kan een subsidie worden verleend in den beginne vóór dat de uitvoering is aangevangen, of bij het begin der uitvoering? Ik antwoord

Sluiten