Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al kwame, hetgeen ik vraag, te laat tot herstel in het bijzonder geval, ons onderzoek en oordeel kan voor het gevolg van gewicht zijn.

Ik ondersteun dus de conclusie der Commissie; maar ik stel voor. dat de Vergadering besluite, tenzij de Minister mocht goedvinden aanstonds de verlangde ophelderingen te geven, dit adres in afschrift, met verzoek om inlichting, aan den Minister van Binnenlandsche Zaken te verzenden.

Het voorstel van den heer Th. werd zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

8 December. Hoofdstuk V der staatsbegrooting (vervolg). Verbetering van rivieren.

Ik wensch te vernemen, of de Minister ons iets kan zeggen over den staat van het onderzoek ten aanzien van onze scheepvaartbelangen op de Maas en de Zuid-Willemsvaart, getroffen door maatregelen van den kant van België. Wij hebben gehoord dat eene commissie van Nederlandsche en Belgische ingenieurs te Maastricht vergaderd was. Ik heb de benoeming van die commissie met leedwezen vernomen, want ik geloof dat men daartoe te vroeg heeft besloten, en dat men van onze zijde eerst de feiten had behooren te constateeren. Over de feiten, oorzaken en gevolgen te zamen genomen, bestaat groot verschil. Daarna had men het recht, dat wij hebben, moeten onderzoeken, en ten laatste, nadat de feiten en het recht tot volkomene klaarheid waren gebracht, zoo het noodig was met België onderhandelen. Nu is men begonnen te onderhandelen zonder zoodanige enquête, die, mijns inziens, had behooren vooraf te gaan. Kan het zijn, dan zou ik gaarne weten, of de commissie reeds tot eenige uitkomst heeft geleid of binnen korten tijd uitkomsten belooft.

Artikel 73. Onderhoud, herstelling en verbetering van wegen en bruggen, enz.

Eene algemeene bedenking en eene opmerking ten aanzien van een bijzonderen post.

l)e algemeene aanmerking betreft hetgeen ik vinde op blz. 15 der Memorie van Beantwoording. Daar wordt gesproken van den plicht der gemeenten, om de gedeelten der groote wegen, vervat in haar gebied, te onderhouden. Men haalt onderscheidene Koninklijke besluiten aan: die van 20 September 1814 en 17 December 1819. en de latere van 9 April 1820, 13 Maart 1821 en van 25 December 1823. Die latere besluiten hebben, na eenige wankeling ten aanzien van het beginsel, ten laatste den regel gevestigd, dat zoowel de steden als de plattelandsgemeenten met dat onderhoud belast

Sluiten