Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hierop trad ook de heer Baud nog tegen den heer Th. in het vuur. Antecedenten-oorlog, zei hij, was soms gevaarlijk juist voor degenen, die zich van dat wapen wenschten te bedienen. Was b. v. de afgevaardigde uit Deventer niet herhaaldelijk over gewichtige vraagstukken van meening veranderd? Wat zou deze b. v. hebben geantwoord, indien men hem. kort nadat hij als minister was opgetreden, eens voorgehouden had, hoe hij zelf was te keer gegaan tegen de grondwet, die hij toen moest helpen handhaven ? Ten slotte verdedigde hij nogmaals de stelling, dat de grondwet een „proprio motu des konings" kende.

De geachte spreker verplicht mij, vooraf een woord te zeggen dat als een woord van persoonlijke discussie zou kunnen beschouwd worden: eene discussie, waarvan ik mij steeds, waar ik kan. onthoude. Over den antecedentenoorlog sprekende, heeft de geachte spreker zijne rede gebracht op een persoonlijk terrein. Ik voor mij heb nooit aan iemand de vrijheid betwist om met eere van overtuiging te veranderen, mits bepaald door betere gronden dan waarop de vorige was gevestigd. Nu vraagt de geachte afgevaardigde : is de overtuiging van den spreker uit Deventer niet dikwijls veranderd ? Ik geloof zonder eenige aanmatiging te kunnen zeggen, dat er niet licht iemand zal gevonden worden die met zoo veel vrijmoedigheid, als ik. zijne antecedenten kan inroepen. „Is de overtuiging van den spreker uit Deventer niet dikwijls veranderd?" Men kan uit een boek een blad scheurende en dat buiten samenhang beoordeelende, trachten te betoogen dat de auteur zich later niet gelijk bleef. Met mij is men dikwijls omgegaan als met zoodanig boek.

De geachte spreker uit Amsterdam voert twee feiten aan. Vooreerst eene voorrede voor de parlementaire redevoeringen door mij uitgegeven. Blijkt daaruit, dat mijne constitioneele overtuiging veranderd is?

Ten andere, mijne handelwijze ten aanzien van de Grondwet van 1848. De spreker vergist zich. Ik. die zoo veel deel als iemand aan het tot stand komen van die Grondwet heb gehad, ik zou, nadat die Grondwet was aangenomen, mij tegen haar verklaard hebben. Dat is niet juist. Vóór dat de Grondwet in deze Kamer, waarvan ik toen geen lid was. in discussie kwam, heb ik gebruik gemaakt van de vrijheid, die ik mij als lid der Oommissie tot herziening der Grondwet uitdrukkelijk had voorbehouden, om, zoo het mij noodig scheen, van mijne bijzondere zienswijze in het openbaar rekenschap te geven. Dat deed ik in het werk, hetwelk de spreker bedoelt, vóór dat de Grondwet was aangenomen. Het waren bedenkingen tegen sommige punten, waarvan de Vergadering — ik heb de eer gehad soms adviseerend lid dezer Vergadering te worden genoemd in tijden, waarin ik hier geene zitting had — bedenkingen, waarvan de Vergadering de partij kon trekken die zij goedvond. Maar na de bekrachtiging der Grondwet kon ik, geroepen

Sluiten