Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\\ at het eerste onderwerp mijner rede betreft, heeft de Minister, dunkt mij, eene gevoeligheid aan den dag gelegd, die in deze hamer, vooral bij de heusche discussie, zooals wij die plegen te voeren, zonder grond en in allen geval noch wenschelijk noch heilzaam is. Ik heb gisteren de geschiedenis verhaald der behandeling eener gewichtige aanvraag, eene geschiedenis die zich over anderhalf jaar uitstrekt. De Minister is nog geen jaar aan zijn departement. Ik heb in die geschiedenis een zeer luisterrijk een duidelijk voorbeeld van den gang der koloniale administratie hier te lande gezien. Dit is al wat ik gezegd heb. en nu vergelijke men het verhaal van gisteren, hetgeen de Minister voor volkomen juist heeft verklaard, met het oordeel dat ik daarover heb uitgesproken. Het was geen algemeen oordeel, geen oordeel over andere handelingen. Niets zal mij meer verheugen dan in de gelegenheid gesteld te worden om te erkennen — en ik zal die gelegenheid gaarne aangrijpen — dat latere handelingen van den Minister het oordeel, hetwelk men zich over deze zaak heeft moeten vormen, tegenspreken.

13 December. Hoofdstuk XII der staatsbegroting (Onvoorziene uitgaven). In afwijking van den de laatste jaren gevolgden regel was ditmaal de opgave van hetgeen op dit hoofdstuk in 1855 was uitgegeven achterwege gebleven.

Ik herinner met een woord de geschiedenis van de mededeelt omtrent de uitgaven uit de verschillende hoofdstukken der Staatsbegrooting, eene mededeeling eerst gedeeltelijk en later volledi" bij de ontwerpen der volgende begrootingswetten aan de Statenbeneraal overgelegd.- Indien ik mij niet zeer bedrieg, is daarvan het eerst over het jaar 1850 het voorbeeld gegeven door het Departement van Binnenlandsche Zaken. Het heeft een volledi" overzicht van de besteding aller sommen, in een voorlaatst jaar toegestaan, aan de Kamer bij de indiening der begrooting gegeven. Dat is langzamerhand eveneens van wege andere departementen en ten laatste van wege alle geschied. Die mededeeling omvat met alleen de uitgaven gedaan uit de posten, bij de begrooting \ooizien, maar ook die uit den post voor onvoorziene uitgaven.

Wat nu de Regeering kan weêrhouden om dien regel op de uitgaven uit hoofdstuk XII toe te passen, weet ik hoegenaamd niet te verklaren. De Minister van Financiën zegt, dat die uitgaven van een bijzonderen aard zijn, maar zij zijn dat niet anders noch meer dan die, welke uit den post voor onvoorziene uitgaven onder ieder hoofdstuk der begrooting worden gekweten. Welnu, van al deze sommen wordt volledige rekenschap gedaan, hetzij dat zij werden overgeschreven om een bepaald artikel der begrooting aan Thorbecke, Parlementaire Redevoeringen, 1856—1857. 32

Sluiten