Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

actie over iets dat men erkent schuldig te zijn, is, dunkt mij, met de waardigheid van den Staat zoo min overeen te brengen als met die van een partikulier.

Ten andere: de Minister zegt: „de geldschieters zouden geen geld geschoten hebben, indien zij het oktrooi van het lastgeld niet hadden erlangd." Maar is dat niet. Mijnheer de Voorzitter, een gelijk geval als wanneer een ander publiek werk wordt gemaakt, een weg bijv. wordt gelegd, en men vraagt aan den Staat de vergunning om tol te heffen? Is de Staat, welke die concessie verleent, — zoo vervolgens de opgenomen kapitalen uit den tol niet worden afgelost — verbonden voor de aflossing te zorgen? En men vergete hier daarenboven niet, dat de havendirectie de opbrengst van het oktrooi niet heeft besteed tot aflossing van het kapitaal, zooals ze had behooren te doen. Wanneer men in 1852 het oktrooi niet had ingetrokken, maar de heffing had laten voortduren. zouden dan de actiehouders kans hebben gehad om hunne kapitalen te zien aflossen? In geenen deele, zoodat ze nu door dergelijke transactie, als de Minister voorstelt, in veel beteren stand worden geplaatst dan waarin ze zouden geweest zijn, bijaldien die heffing niet, zooals geschied is, in het algemeen belang ware afgeschaft-

Het ontwerp werd met 44 tegen 16 stemmen verworpen.

7 Maart. Ontwerp van wet op de zeevisscherijen. Artikel 16. „Deze wet treedt in werking op het door Ons te bepalen tijdstip. Alsdan vervallen de wet van 12 Maart 1818 (Stbl. no. 15) en de wet van 10 April 1854 (Stbl. no. 21)."

Ik wensch, Mijnheer de Voorzitter, aan den Minister in bedenking te geven, of niet de lste alinea van art. 16 een tijd, waarbinnen door den Koning de wet zal worden ingevoerd, behoort te bepalen. De Koning is dan tot dat tijdstip vrij, maar die grens kan, dunkt mij, niet onbepaald blijven. Men neme den termijn ruim. zoodat men zeker zij dat alle voorwaarden voor de invoering kunnen zijn vervuld. Maar het is met den aard der zaak overeenkomstig, dat een termijn, niet zooals de Regeering in de Memorie van Antwoord de bedenking schijnt te hebben opgevat, het tijdstip waarop de invoering moet plaats hébben, maar de tijd waarbinnen dat moet geschieden, door de wet aangewezen worde. En zoo dat geschiedt, welken uitersten termijn ook de Regeering noodig keure, ik zal mij daarmede vereenigen. Doch geenerlei grens van tijd te stellen, dat strookt, mijns jnziens, niet met onze roeping, noch met de verplichting der uitvoerende macht tot het in werking brengen van hetgeen wet is geworden. En zoodanige bepaling van een termijn, waarbinnen de Regeering verplicht is de wet in te voeren,

Sluiten