Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrijheid van drukpers, had deze in 1846 in een uitvoerig rapport gezegd, was voor Indië onmogelijk. Ten slotte kwam de minister nog terug op het groote verschil, dat tusschen ons Indië en britschIndië zou bestaan. Had de heer Th. dan het „hemelsbreed" onderscheid tusschen die beide landen over het hoofd gezien? Tusschen nederlandsch Indië, waaruit het moederland zoo groote voordeelen trok, en do engelsche kolonie, die integendeel tot de onafhankelijkheid werd opgevoed? Daarenboven, hoe verderfelijk werkte de vrijheid van drukpers in britsch-Indië!

De heer Groen van Prinsterer, die als amendement had voorgesteld, het slot der conclusie, waarbij de kamer als hare overtuiging uitsprak, dat het reglement eene herziening behoorde te ondergaan, te doen vervallen, toonde zich eenigszins geraakt, door den heer Th. niet te zijn beantwoord.

Mijnheer de Voorzitter, toen ik gisteren na den Minister het woord vroeg, meende ik aan de Vergadering te moeten onderwerpen eene enkele bedenking over sommige punten in het betoog van den Minister; voorts over een punt, dat mij bijzonder getroffen heeft bij het lezen der rede, te laat ontvangen, van den geachten vertegenwoordiger uit de hoofdstad; en te beantwoorden aan een dringende uitnoodiging van den spreker uit de residentie. Ik zal ook nu geen woord meer zeggen dan ik gisteren voorhad.

Ik heb bij den aanvang mijner rede van eergisteren gedoeld op een wijze van betoog, waarvan ik geen vriend ben, doch waarvan in den loop van deze discussie, zoo mij voorkomt, een ruim gebruik is gemaakt. Men ontwijkt de bewijsgronden, om het crediet deipersonen, welke de redenen bezigden, aan te tasten; om af te leiden van den beweerden strijd tusschen het reglement en de wet, tracht men zijn medeleden, door aanhalingen uit vorige jaren, in strijd te brengen met henzelven. Zoodanige kunst van afleiden heb ik gisteren gemeend te bespeuren, Mijnheer de Voorzitter, in het betoog van den Minister, bij zijne verdediging tegen het geachte lid uit Nijmegen. In den loop van die verdediging voerde de Minister aan. dat hij in een brief van mij gelezen had dat ik Indië als Nederlandschen grond beschouwde. Het is eene stelling die ik heb voorgestaan reeds 20 jaren geleden en waaruit ik mij veroorloofd heb sedert dien tijd menig gevolg te trekken. „Helaas," zegt de Minister, „in 1850 is, bij de discussie over eene wet, aan de ministeriëele tafel eene stem opgegaan, welke met die stelling in weerspraak schijnt, en dat is de stem van den voormaligen Minister van Binnenlandsche Zaken." De Minister heeft het tijdstip, waarop dat onderwerp behandeld werd, niet nauwkeurig opgegeven; lang heb ik moeten zoeken wat door hem werd bedoeld. Ik heb ten laatste twee plaatsen gevonden.

De eene komt voor in de discussie over de kieswet. Ten gevolge van een voorstel van het geachte lid uit Almelo het gold, bij berekening van den tijd van inwoning, dien men moet hebben

Sluiten