Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezwaar opleveren bij afgesloten water. Wat echter betreft de wateren met andere in gemeenschap, zoo mag de Regeering, geloof ik, wel overleggen, zoowel bij art. 19 als bij art. 26, of niet eene voorziening noodig is. wanneer wij namelijk, zooals nu is aangenomen. lit. b van art. 13 zöö verstaan dat de afsluiting daar niet den doortocht van visch belet, gelijk in art. 12 de afsluiting den doortocht van wild moet beletten. Ik wil geene vrijheid ontnemen, in wier genot men is, maar acht eene beperking van het amendement raadzaam tot die geheel afgesloten wateren, welke de afgevaardigde uit Roermond zich heeft aangetrokken.

De heer Strens wijzigde nu zijn amendement: „behalve het vissollen in water, dat met geen ander in verbinding staat, vermeld in artikel 13&. De heer van Wintershoven stelde voor, het artikel te laten zooals het was, en daaraan dan een nieuw lid toe te voegen: „Dit artikel is niet van toepassing op eigenaren of rechthebbenden van visehwater dat met geen ander in verbinding staat."

Ter bereiking van het doel, dat het geachte lid uit Roermond zich voorstelt, geloof ik met den voorsteller van het laatste amendement, dat dit de voorkeur verdient boven het tweede amendement van den afgevaardigde uit Roermond. Dat tweede amendement zou in den aanhef der 1ste alinea doen lezen : „behalve het visschen in water dat met geen ander in verbinding staat," enz. Maar dan blijft de eigenaar van zoodanig besloten water onderworpen aan de reglementen of verordeningen, in de artt. 9 en 11 bedoeld, verordeningen. die het visschen kunnen beperken, en zoowel de soorten van vischtuig als de grootte van de mazen der vischnetten bepalen. Dit kan de spreker uit Roermond niet verlangen.

Artikel 20. Het ontwerp stelde voor: „Het is verboden zonder de vereisohte jachtakten of in gesloten jachttijd met schietgeweer, valken, havikken of honden, welke geen houten slependen kruisbungel aan den hals hebben hangen, zich in het veld te bevinden buiten openbaren wegen en voetpaden, ten ware men voorzien zij van het consent in art. 16 of van de buitengewone machtiging in art. 27 bedoeld. Enz. De heer WesterhofF wilde het woord „honden" door „jachthonden" vervangen.

Bij art. 20 zijn wij genaderd tot de groote, beroemde grief tegen de jachtwet van 1852 of liever, indien men althans billijk wil zijn tegen de uitvoering aan die wet gegeven.

Ik behoef niet te herinneren dat art. 20 in 1852 is overgenomen uit de wet van 1814. Het is eene van die traditiën, betrekkelijk tot de techniek, uit de wet van 1814, waarvan men zich in 1852 toen men zich voornamelijk met de hoofdbeginselen bezig hield, niet geheel heeft kunnen losmaken, en waaraan men ook in de discussie niet veel aandacht heeft gewijd. Ware men toen. door

Sluiten