is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooropzet, en geneigd is de belangen der scheepvaart met die van den landbouw te vereenigen. Doch het schijnt mij onbetwistbaar dat het eerste, het hoofdbelang, waarop het hier aankomt, en hetgeen wij geroepen zijn te beschermen, dat der vaart is.

26 Mei. Beraadslaging over de zevende afdeeling (Onderwijs). Andermaal waren klachten geuit over weigering van autorisatie tot oprichting van bizondere scholen. Hoe kan, had de heer Elout van Soeterwoude gevraagd, de minister zijne houding dienaangaande rijmen met de beginselen van dit kabinet? De minister verweerde zich, met te zeggen, dat dit punt bij de vorming van het kabinet geen onderwerp van overleg had uitgemaakt. Een gezegde, waarover de heer Groen van Prinsterer zich uitermate verwonderd toonde.

Mij dunkt. Mijnheer de Voorzitter, ten aanzien van de vraag de toelating van bijzondere scholen betreffende, dringt men den Minister te sterk en is men wellicht met zich zeiven niet geheel in overeenstemming. Men dringt te sterk, wanneer men eischt dat Ministers, die het bewind aanvaardden met het oog inzonderheid op de aanstaande wet tot regeling van het lager onderwijs, zich, als over eene voorwaarde der samenstelling van het Ministerie, over de wijze van uitvoering der thans bestaande verordeningen ten aanzien van de bijzondere scholen moesten verstaan. Dat is — in dien staat van zaken, waarin het Ministerie werd geformeerd — een ondergeschikt punt; schoon geenszins een ondergeschikt punt op zich zelf, vooral in mijne beschouwing niet, ik die zeer ijverig voorstander van eene volkomene vrijheid van onderwijs ben ; eene vrijheid waartoe de leden, die nu den Minister dringen, best zullen medewerken, wanneer zij tot een spoedig tot stand komen van de wet tot regeling van het onderwijs medewerken. Het is mij evenwel, Mijnheer de Voorzitter, uit de rede van het geachte lid uit Leiden (den heer Groen van Prinsterer) niet gebleken, dat eene spoedige afdoening juist zijn doel is ; hij verlangt wel de discussie, maar of hij wenscht dat zij nog dezen zomer tot een besluit worde gebracht, dit heeft hij. dunkt mij, zeer twijfelachtig gelaten.

Het zou een treurig verschijnsel zijn, zegt de redenaar uit Leiden, wanneer, nadat een jaar geleden dit Ministerie is opgekomen met de roeping die wij kennen, men nu een jaar later niets zou zijn gevorderd. Ik onderstel dat wij, in de meening van het geachte lid. ook dan niet zouden zijn gevorderd, wanneer wij dezen zomer de wet vaststelden. Ik voor mij geloof dat wij nu reeds eene groote schrede voorwaarts hebben gedaan ; wat toch is gebeurd ? Dit Ministerie is ontsproten uit eene vecictis tegen het vorig ontwerp tot regeling van het onderwijs, en wat was tot dusverre het gevolg? Dat de groote beginselen, door de Kamer voorgestaan en