Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene boete van 11 tot 15 francs ; er wordt geene hoogere straf bedreigd tegen hen. die door hard rijden, kwalijk besturen of overladen van rijtuigen den dood of kwetsuren van dieren, melkof slachtbeesten of dergelijke van anderen hebben veroorzaakt.

Onze wet van 29 Juni 1854 beschouwt herhaling van misdrijf als eene verzwarende omstandigheid. Doch wat brengt het amendement mede? Niet alleen dat bij herhaling van misdrijf de straf woidt verdubbeld; maar dat de rechter nog daarenboven eene gevangenisstraf van 7 dagen zal kunnen opleggen. Zoo iets, is dit met den gang onzer wetgeving in openbaren strijd.

De broodjagers zijn weg. En het is in den loop dezer discussie door jachtminnaars, volkomen in staat om het feit te beoordeelen. erkend, dat de strooperjj verminderd is. Waarom dan verzwaring van straf ?

. è?eachte voorsteller zegt: het is eene facultatieve gevangenisstraf, de rechter kan maar behoeft ze niet op te leggen. Maar. zijn wij niet aldus op weg van de vrijheid, die wij aan den rechter schenken, een groot misbruik te maken ? Wij willen allen de toepasselijkheid van dergelijk artikel als art. 463 van het Code Pénal is. Doch wanneer .vij zoodanig artikel tot matiging noodzakelijk keuren, waartoe dan aan den anderen kant eene zich zóó wijd uitstrekkende faculteit tot verzwaring aan den rechter toegekend ?

Het geachte lid uit Drente (de heer van Heiden Reinestein) dat zooeven het woord voerde, acht zoodanige verzwaring tegen overtredende beambten terecht bedreigd. „Zal dan niet. vraagt hij, tegen den ambtenaar, die het delikt constateeren moet en zelf begaat, gevangenisstraf moeten kunnen uitgesproken worden 'i" Ik mag den geachten afgevaardigde herinneren dat. wanneer in dat geval de straf wordt verdubbeld, men reeds verder gaat dan het gemeene recht. Daarenboven zal de beambte, die het delikt begaat, wel aanstonds worden ontslagen. Zoodat hij streng genoeg en overeenkomstig het gemeene recht zal worden gestraft, indien de wetgever het bij verdubbeling laat. zonder gevangenisstraf bij te voegen.

Ik wil in de laatste plaats, Mijnheer de Voorzitter, met allen eerbied, dien ik heb voor de rechtspraak der kantonrechters, toch nog verzoeken hierop te letten, dat de geheele berechting vna deze misdrijven door een „unus judex" zal geschieden. En wanneer wij ons nu den geachten afgevaardigde uit Drente als kantonrechter voorstellen, en den geachten spreker uit Almelo (den heer van der Linden) als kantonrechter van een naburig kanton, dan zou men wel eens, indien den rechter zulk eene groote vrijheid woidt verleend, een groot verschil in de oplegging van straffen kunnen aanschouwen. Ook dit maakt mij huiverig om de straf-

Sluiten