Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelezen zooals ik verlang, den geest van de wet beter uitdrukken, en daaraan, volgens de verdediging der Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Justitie, beter beantwoorden, dan de tekst van het ontwerp, ik zou het amendement niet voor staan.

Ik vraag dus voor een paar oogenblikken nog de ernstige aandacht der Vergadering, want de zaak schijnt mij inderdaad van meer gewicht dan eene enkele wijziging van redactie en ik stel er prijs op dat mijne redenen wel worden gewaardeerd. De Kamer zal vervolgens beslissen.

De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft vooreerst de lezing der eerste alinea van het ontwerp gedekt door het Reglement van >806: men heeft overgenomen. Aan zoodanig argument, Mijnheer de Voorzitter, zou ik alle kracht geenszins willen ontzeggen. Wanneer eene dergelijke formule oud is geworden, en in de praktijk niet verkeerd uitgelegd, dan kan zij, ook wanneer men eene betere redactie ter hand heeft, de voorkeur verdienen. Maar het is de oude lezing, die ik boven het ontwerp der Regeering zou verkiezen, niet. De Regeering zegt: rHet schoolonderwijs wordt, onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden, dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens deikinderen en aan hunne opleiding tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden." Wat zegt art. 22 van het Reglement A ? „Alle schoolonderwijs zal zoodanig moeten worden ingericht, dat, onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden, de verstandelijke vermogens der kinderen ontwikkeld en zij zelve opgeleid worden tot alle maatschappelijke en Christelijke deugden." Daarin is een wel verbonden samenhang en juistheid van gedachtenloop, die ik niet vind in de nieuwe redactie. Is het een juist begrip wanneer deze zegt: „het schoolonderwijs wordt onder het aanleeren van kundigheden dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen en aan hunne opleiding tot deugd? Bestaat niet veeleer het onderwijs zelf in die ontwikkeling en opleiding?

„Gepaste en nuttige kundigheden" beschermt de Minister dooide opmerking, dat die op den geheelen kring van art. 1 terugslaan, en dus ook op hetgeen ten aanzien van smaak, het schoone of de kunst aan de kinderen kan worden geleerd. Doch daar dat alles dienstbaar wordt gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen, zoo is mijne eenvoudige uitdrukking: „ontwikkeling van verstand en kennis" zeker niet minder omvattend.

In de 2de alinea geldt het een beginsel van wetgeving. Indien de wet meent paedagogische regelen te moeten geven, dan zou ik die niet wenschen te zien vermengen en verwarren met een voorschrift van gezag, dat eene volstrekt verbindende kracht

Sluiten