Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft. Die paedagogische regelen zou men officia imperfecta kunnen noemen. Maar wanneer aan den onderwijzer wordt geboden, dat hij zich heeft te onthouden van al hetgeen iemands godsdienstige begrippen zou kunnen krenken, dan is dit geheel iets anders dan een paedagogische regel: het is een voorschrift van wetgeving strekkende om rechten te waarborgen.

De Minister zelf heeft hetgeen wij aan het slot van de tweede alinea lezen : „hij prent aan de kinderen dien eerbied in en wekt hen op tot onderlinge liefde en verdraagzaamheid," een nudum praeceptum genoemd. Inderdaad, wat er van de ontwikkeling deiverstandelijke vermogens, wat van de opleiding tot Christelijke en maatschappelijke deugden, wat van de opwekking tot verdraagzaamheid worden zal of kan, dit blijft van den persoon en de methode des onderwijzers grootendeels afhankelijk. Maar van zijne individualiteit moet niet afhangen of hij zich van al wat de godsdienstige overtuiging van anderen zou kunnen krenken, zal onthouden. Alleen onder die voorwaarde voldoet de school voor allen aan hare bestemming. Het is onnoodig te zeggen, dat in dat gebod van volstrekte onthouding het gebod begrepen is dat hij, onder wiens bestuur de school staat, niets toelate wat strijdig is met de verplichting hem zeiven opgelegd.

Eerbied voor de meeningen van andersdenkenden heeft de Minister van Justitie heden juist zoo, als ik gisteren, uitgelegd. Eerbied voor de dwalingen van anderen kan aan niemand worden ingeprent. Het is enkel ieders vrijheid om eene andere overtuiging dan de onze te koesteren en te belijden, die wij moeten eerbiedigen. In het ontwerp der Regeering wordt echter méér gezegd, en wanneer een onderwijzer, in menige streek van ons land, eerbied wilde inprenten voor eene geloofsleer, strijdig met het godsdienstig geloof van de ouders der kinderen, hij zou hier en daar gevaar loopen, opstand te verwekken.

Verdraagzaamheid wordt afzonderlijk vermeld. Hoe zeer ik wensch dat verdraagzaamheid het onderwijs beziele en juist omdat ik dit wensch, kome ik tegen de afzonderlijke vermelding op. Verdraagzaamheid wordt hier vermeld in verband met godsdienstige begrippen; zal dus de schoolonderwijzer niet juist dat aanduiden, ten aanzien waarvan verdraagzaamheid moet worden in acht genomen ? Mij dunkt dat ligt in de uitdrukking zelve. Daarenboven, men stelle zich een onhandig schoolmeester voor of een onderwijzer, die, naderende tot de Christelijke gezindheid van onze geachte medeleden aan de overzijde, de wet wel wil ontduiken ; zal hij niet opmerkzaam maken op afwijkingen, op dwalingen, op wangeloof, om er bij te voegen : „maar wij moeten die dwalingen en hen die daarin verkeeren met verdraagzaamheid bejegenen" ? Ik vraag of niet aldus, juist ten gevolge der vermelding van het woord verdraag-

Sluiten