Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dwong, had ik het plan bij de Nederlandsche bewerking er van allerlei gedeelten uit te breiden en te vervolledigen. Intusschen gaf een tweede druk van den „Grundriss" mij de gelegenheid dat in het Hoogduitsch te doen, en van den tweeden druk mijner Geschiedenis der Nederlandsehe taal is in 1901 door de goede zorg van mijn vriend Dr. F. C. Wieder eene Nederlandsehe vertaling verschenen, ten gevolge waarvan deze „Inleiding" nu niet, zooals in mijne bedoeling lag, aan het eigenlijke werk voorafgaat, maar er op volgt.

Natuurlijk ben ik er mij ten volle van bewust, dat, wie op wetenschappelijk gebied uitgeeft, wat hij reeds voor twaalf jaar schreef, een hachelijk werk doet, want de wetenschap staat gelukkig niet stil. Door toevoegsels en verbeteringen heb ik dan ook getracht de nadeelige gevolgen daarvan eenigszins weg te nemen; doch al te groote uitbreiding mochten deze natuurlijk niet verkrijgen, en aan de manier, waarop ik eertijds over taalverschijnsels sprak, viel niets te veranderen, ook al zou ik daarover op dit oogenblik meermalen anders schrijven, dan ik deed. Gelukkig is mijn inzicht in het wezen en de ontwikkeling der taal in de laatste twaalf jaar in hoofdzaak onveranderd kunnen blijven, alleen op sommige punten wat bepaalder en scherper geworden. Zoo bv. liet ik vroeger meer licht vallen op het persoonlijke dan op het sociale karakter der taal, meer op het spontane (niet of half bewuste) bij de taaiwijziging dan op het opzettelijke en gewilde, meer op de spreektaal met haar traditioneel karakter dan op de schrijftaal als gewrocht van den ordenenden en beschavenden geest des menschen. Dat was nog eene nawerking van het eerst tegen het midden der 10e eeuw, en dus wel wat laat, bij ons in de taalwetenschap ingevoerde romantisme van liousseau en Herder, voor wie natuur en gevoel alles, beschaving en verstand niets waren. Ook nu zou het eenzijdigheid zijn, de

Sluiten