Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeggen wij dus, dat spreken eene uiting van den geest is, dan bedoelen wij: van den met geest bedeelden mensch; maar wij moeten er daarom noodzakelijk bijvoegen : spreken is ook eene werkzaamheid van het lichaam , daar lichaam en geest slechts met en door elkaar den mensch vormen. Spreken is evenmin mogelijk zonder lichaam als zonder geest: het is zoowel eene inspanning der spraakorganen van het lichaam, als eene geesteswerkzaamheid. Wie de spraak beschouwt, behoort haar dus van beide zijden te beschouwen, maar mag daarbij niet vergeten, dat de spraakorganen als deelen des lichaams van den geest even onafscheidelijk zijn, als de geest van het lichaam.

Daar nu de geest algemeen hooger gesteld wordt, dan het lichaam, moet ook het geestelijk karakter van de taal veel belangrijker geacht worden dan het phonetische, voor zoover dat alleen met de spraakorganen in verband staat. Moge nu voor de studie der spraakklanken een phonetische grondslag onmisbaar zijn, voor de taalstudie in 't algemeen is een psychologische grondslag een eerste vereischte. De geschiedenis der taalontwikkeling is van die der geestesontwikkeling niet los te maken.

Niemand heeft met meer nadruk die waarheid verkondigd dan Wilhelm von Humboldt, die er zelfs door verleid werd tot deze uitspraak : de taal is als het ware de uiterlijke openbaring van den geest der volken: hunne taal is hun geest en hun geest is hunne taal: men kan zich beide niet identisch genoeg denken." Tegen de overdrijving in deze woorden heeft later Steinthal gewaarschuwd. Hoe nauw de taal ook met den geest verbonden moge zijn, en hoe onmisbaar de taal ook voor de ontwikkeling van den geest moge geweest zijn, de ervaring leert ons toch, dat geestelijke werkzaamheid , zelfs de werkzaamheid van het logisch denken, zonder het gebruik van do taal mogelijk is. Ook zonder te spreken kan de mensch zijne voorstellingen en gedachten uiten door gebaren en handelingen (in samenhangende reeksen zelfs, zooals bij de pantomime), die voor zijne natuurgenooten, ja dikwijls ook zelfs voor andere levende wezens volkomen verstaanbaar, d. i. doeltreffend zijn. De doofstomme bedient zich van teekens met de vingers om te kennen te geven , wat er in zijnen geest omgaat. De wiskunstenaar uit zijne gedachten in algebraïsche formules, die evengoed, ja veel beter, gelezen dan uitgesproken kunnen worden; en de beschaafde Chinees en Japanner hebben naast hunne spreektaal nog eene daaraan vol-

Sluiten