Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welk laatste geval al of niet eene opening tusschen de bekervormige lichaampjes kan overblijven. Is nu de stemspleet wijd geopend, zooals bij het uitademen, dan hoort men geen ander geruisch, dan het schuren van de lucht langs het strottenhoofd en de verdere deelen van den spraakweg; is zij gesloten en dringt de lucht door de opening tusschen de bekervormige lichaampjes, dan hoort men het geluid, dat wij fluisteren noemen. Is de stemspleet daarentegen eenigszins geopend , dan worden de stembanden in eene trillende beweging gebracht, die zich op den luchtstroom zelf overplant, zoodat er een door den weerklank tegen de wanden van den spraakweg nog versterkte en naar ieders individualiteit eigenaardig gekleurde klank ontstaat, dien wij stem noemen.

Naar de lengte en den graad der spanning van de stembanden, dus naar de snelheid der trillingen, wordt de toon der stem hooger of lager en ontstaat het muzikaal accent j naar de meerdere of mindere kracht, waarmee de lucht wordt uitgeademd (de breedte der trillingen) , wordt het stemgeluid sterker of zwakker en ontstaat het expiratorisch of dynamisch accent, dat wij gewoonlijk klemtoon noemen; naar den korteren of langeren duur van dezelfde trillingen onderscheidt men de spraakklanken in korte en lange (quantiteit) ; naar den vorm der trillingen door medetrilling der boventonen met den grondtoon kunnen er allerlei klankschakeeringen (de Duitschers spreken van Klangfarbe, de Franschen van timbre) voorkomen, die wij onder den naam van stembuiging , ook wel, doch minder goed, onder dien van gewestelijk accent samenvatten , en waarnaar wij do klanken in (betrekkelijk) zuivere en onzuivere onderscheiden.

Langs de zoogenaamde valsche stembanden en den bij het spreken vrij rechtstandig opgerichten klep van het strottenhoofd (epiglottis), die bij het slikken door het terugtrekken van de tong en het rijzen van het strottenhoofd gesloten kan worden, treedt de al of niet door de stembanden in trilling gebrachte luchtstroom in de keelholte en kan van daar langs twee wegen naar buiten stroomen , namelijk door de mond- en door de neusholte; maar de toegang tot de neusholte kan zeer gemakkelijk afgesloten worden door de drukking van den achterwand der keelholte en het zachte verhemelte tegen elkaar, en dat gebeurt dan ook zeer dikwijls. Gebeurt het niet, en ontwijkt een deel van den luchtstroom door den neus, dan noemen wij den klank, dien wij hooren, neusklank {nasaal). Iedere spraakklank nu kan met neusklank worden uitgesproken.

Sluiten