Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet alleen iets subjectiefs, maar ook iets objectiefs, niet alleen iets wat voortdurend wordt en verandert, maar ook iets wat de een den ander als iets gewordens overlevert en wat men gemeenschappelijk handhaaft. De samenleving van individuen, die met elkaar in snelheid van ontwikkeling geen gelijken tred kunnen houden, geeft aan de taal, bij al hare neiging tot ontwikkeling, iets conservatiefs, eene zekere mate van standvastigheid. Zou het persoonlijke in de taal tot het vormen van eene oneindige verscheidenheid van talen aanleiding geven , het gemeenschappelijk gebruik van de taal voert tot betrekkelijke eenheid.

Die eenheid strekt zich natuurlijk niet verder uit dan de samenleving zelf. De taaleenheid van een gezin kon zich in eene patriarchale samenleving uitbreiden tot de taaleenheid van eenen stam en later tot die van een volk; en ware het niet geweest, dat in den voortijd van het menschelijk geslacht de vijandschap van stammen en volken hunne neiging om betrekkingen van vreedzamen aard aan te knoopen had overtroffen , dan zou de wereldtaal wel altijd nog kleurschakeeringen genoeg vertoonen in verhouding tot den geographischen afstand, waarop de aardbewoners zich van elkaar bevinden, maar de taalkringen zouden dan geleidelijk in elkaar overvloeien, zooals de talen der met elkaar samenlevende personen tot eene zekere eenheid samensmolten. Men zou, voor zoover men de eenheid van het menscheliik geslacht mag aannemen, eene taaleenheid mogen veronderstellen.

De geschiedenis evenwel leert, dat het anders gegaan is '). Stammen en volken hebben zich tegenover elkaar gesteld. Zjj hebben zich tegen elkaar verschanst achter hunne bergen en rivieren, door Chineesche muren en in versterkte legerplaatsen. Stamverwante volken hebben zich gescheiden in vijandelijke groepen en zijn als nomaden de wijde wereld ingegaan, „angstvallig zelf, angstaanjagend aan 't volk, daar zij zouden nederslaan", zooals Ilooft den rei van Bataafsche ballingen laat zingen. Voortaan ging de taal van iederen stam zijn eigen weg. Onafhankelijk van zijne vroegere stamgenooten ontwikkelde iedere stam zijne eigene taal, totdat nieuwe splitsing do aanleiding werd tot vermeerdering der taalverscheidenheid,

') Men ziet, dat ik mij bij de gewone voorstelling der splitsing en dus der genealogische verwantschap van de talen blijf aansluiten tegen de zoogenaamde „Wellentheorie", verkondigd door Johannes Schmidt, Die Vericantschaftsverhültnisse der indo-germanischen Sprachen, Weimar 1872.

Sluiten