Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et begrip hecht van iets denkbeeldigs tegenover iets werkelijks, iets levends. Een tongval toch is niet qualitatief verschillend van eene taal: hij is in 't klein wat eene taal in het groot is; maar terwijl van taal op zich zelf sprake kan zijn, zonder eenige bijgedachte aan tongval, en men bv. van de talen der Negers en der Roodhuiden spreekt, omdat men aan hunne verschillende tongvallen niet denkt, is de voorstelling, die het woord „tongval" oproept, onafscheidelijk verbonden aan de voorstelling, door het woord taal vertegenwoordigd , of m. a w. het woord tongval heeft slechts beteekenis in betrekking tot het woord „taal". Dat woord „taal" neemt trouwens ook zelf weer eene eigenaardige beteekenis aan, wanneer het tegenover tongval wordt gebruikt.

Beteekent nu taal tegenover tongval de taaleenheid, die verschillende streekspraken verbindt, dan kan dus bv. de vraag, of de Friezen eene taal of eenen tongval spreken, alleen beantwoord worden door uit te maken , of do overeenstemming van het Friesch met de andere Nederlandsche tongvallen duidelijk genoeg in het oog springt, om te doen veronderstellen, dat het begrip „algemeen Nederlandsch" ook het Friesch omvat. Dat nu kan slechts bij benadering en niet zonder eenige willekeur worden uitgemaakt, want het begrip rgenoeg overeenstemming" is een zwevend begrip. De een noemt „genoeg" wat de ander „te weinig" noemt. Bovendien zou men, om langs dezen weg uit te maken, of het Friesch eene taal of een tongval is, vooreerst de verschillende Nederlandsche tongvallen moeten kennen en bovendien ook nog andere niet-Nederlandsche dialecten , waarmee het Friesch misschien nauwer verwant zou kunnen zijn (bv. het Angel-Saksisch), en waarmee het dus als tongval eene taaleenheid zou kunnen vormen.

Wanneer men tracht uit to maken, of eene streekspraak al dan niet een tongval is, gaat men gewoonlijk op eene andere wijze to werk. Men klimt niet van de verschillende tongvallen op tot ééno taal, maar men gaat uit van eene bepaalde, gesproken taal, niet van eene abstracte taaleenheid , en toetst aan die bepaalde taal de streekspraken. Komen die er, ondanks de afwijkingen, genoeg mee overeen, dan noemt men ze tongvallen van die taal.

W at is dat nu voor eene taal, die men het meest geneigd zal zijn te kiezen om daaraan de verwante streekspraken to toetsen ? In wat voor eene reëele taal zal men allicht met meer of minder recht do modeltaal, de belichaming der reëele taaleenheid gaan zien ? Op

Sluiten