Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 8. Spreektaal en Schrijftaal.

In de geschiedenis van de ontwikkeling der menschheid is er nauwelijks éene vinding te noemen, zoo uiterst belangrijk en ingrijpend als die van het schrijven. Bij den vooruitgang vergeleken, dien het menschelijk geslacht daaraan te danken had, is de vooruitgang van den meusch in onze eeuw door de veelzijdige toepassing van stoom en electnciteit nog maar kinderspel. Natuurvolken , die het schrift met kennen, achten het een toovermiddel, een werktuig, waarvan alleen hoogere wezens zich kunnen bedienen. En inderdaad, het schrift heeft den mcnsch tot een hooger wezen gemaakt: het heeft hem de heerschappij verschaft over het ver verleden zoowel als over de afgelegenste streken. Door het schrift spreekt hij met zijne voorouders, met zijne tegenvoeters. Door het schrift is hij in staat, de wijsheid van alle eouwen en alle volken te leeren kennen en, daardoor voorgelicht, verder te gaan, dan zijn voorgeslacht ooit gekomen was of ooit had kunnen komen. Zonder het schrift zou de vrucht der geestes werkzaamheid van geheele geslachtenreeksen grootendeels weer verloren gegaan zijn en zou het verleden als een bedrieglijk nevelbeeld alleen in sagen en bakersprookjes zijn blijven voortleven Door het schrift verwierf de menschheid zich eerst eene geschiedenis van haar leven en handelen , haar gevoelen en streven, haar denken en spreken. Van haar spreken in de eerste plaats. De geschiedenis der taal toch wordt onzeker en duister, zoodra den geschiedschrijver de vaste grondslag der geschreven oorkonden ontzinkt. Maar ook zelfs de studie der levende talen zou zonder bemiddeling van het schrift eene onmogelijkheid zijn.

De wijze, waarop tegenwoordig onze maatschappij is ingericht en waarop de wetenschap wordt beoefend, maakt, dat wij ons nauwelijks eenen taalbeoefenaar kunnen denken, die zijne wetenschap niet in geschreven vorm tracht over te brengen, zelfs al kiest hij uitsluitend de levende talen en tongvallen tot onderwerp van studie. Het is nu allesbehalve onverschillig, hoe iemand de taal, die hij hoort, in zichtbare teekens weergeeft; maar van het hoogste gewicht is het natuurlijk, dat de taalbeoefenaar er zich rekenschap van weet te geven, hoe de voorgeslachten in ver verleden tijden waaruit de levende taal ons niet meer tegenklinkt, de klanken hunner taal in schrift hebben gebracht. Is tegenwoordig het nauwkeurig afbeelden yan de gehoorde klanken door schnjfteekens reeds uiterst

Sluiten