Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE HOOFDSTUK.

OORSPRONG EN ONTWIKKELING DER TAAL.

§ 1. De Oorsprong der taal.

Strikt genomen zou het antwoord op de vraag naar den oorsprong der taal het laatste woord der taalwetenschap moeten zijn , omdat men het eerst zal kunnen geven — indien het althans ooit te geven is — wanneer de taal in haar wezen en hare geschiedenis met volkomen zekerheid wordt gekend. Toch is die vraag reeds gestelden het beantwoorden er van reeds beproefd, toen er nog ternauwernood van taalonderzoek sprake kon wezen. Zoo weinig heeft de mensch in zijne kindsheid — aan onze kinderen en onontwikkelden gelijk — nog besef van de mate zijner kracht en de beteekenis zijner vragen. Sinds onheugl ijken tijd is do oorsprong der taal bij allerlei volken een punt van ernstig en diepzinnig onderzoek geweest. Toen men eenmaal in de taal het voornaamste en kenmerkend onderscheid tusschen mensch en dier was gaan zien, verlangde men er naar, te weten, hoe de mensch toch wel aan zijne taal was gekomen, welke taal van alle talen, die er gesproken werden, wel de oudste zou geweest zjjn, of hoe die oudste taal er wel zou hebben uitgezien. Al naar mate men echter dieper in de quaestie doordrong, bleek zij ook moeieljjker: zij bleek een raadsel „geheimzinnig en wonderlijk , en van alle kanten door andere wonderen en geheimenissen omgeven," zooals Jacob Grimm zich uitdrukte1), waarvan geene eukele oplossing in haar geheel ook maar aan eene geringe minderheid voldeed en waarover schier even veel meeningen heerschen , als er

') In zijne verhandeling Ueber den ürsprung der Sprache, 3teAufl. p. 54,

Sluiten