Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het (im)perfectum bewaard, maar, voor zoover wij weten, slechts bij 22 werkwoorden, grootendeels zonder klankwisseling1), bv. aiauk (vermeerderde), haihah (verhing), hwaihwöp (beroemde zich), skaiskaid (scheidde), saislêp (sliep , met herhaling van de s alleen), en met klankwisseling lailut van lêtan (laten), en saisö van saian (zaaien). Praesensreduplicatie komt in 't Gotisch niet meer voor, tenzij verscholen in reiran (beven) van een wortel ri met versterkte reduplicatievocaal, evenals ook in 't Sanskrit bij do frequentatieve werkwoorden. Het eenig, maar niet meer gevoeld, voorbeeld van perfectumreduplicatie in de andere Germaansche talen is deed (voor dede , dada). Praesensreduplicatio is verscholen in leven en het door ons uit het Hoogduitsch overgenomen sidderen. Aan het Skr. bibhêmi, bibhêti (ik vrees, hij vreest) beantwoordt in het Ohd. volkomen bxbêm , bibêt, waarin men echter zwakke werkwoordsvormen der ai-klasse zag , hetgeen aanleiding gaf om de eerste lettergreep voor den wortel aan te zien. Bij ons ontstond daardoor van zelf midden in 't woord de v, terwijl wij b zouden hebben , als de reduplicatie nog gevoeld was. Bij bibberen kon ook de tweede b regelmatig blijven. Ook het Ohd. zittardn (Oudnoorsch titra) veronderstelt een oud praesens titrömi (ik beef) van een geredupliceerden Germ. wortel tra (Indogerm. dra). Dat ook icaaien oorspronkelijk een frequentatief werkwoord met praesens-reduplicatie kan geweest zijn, zou op grond van het verwante Ohd. wiwint (wervelwind) kunnen worden vermoed, evenals men dat voor vouwen (uit falthan) zou kunnen opmaken uit den Ohd. vorm ftfaltra, Ags. fifealde (vlinder), als dat diertje ten minste aan het telkens vouwen van de vleugels dien naam te danken heeft, en niei etymologisch verwant is met het nog onverklaardo, maar ook geredupliceerde Latijnsche woord papilio.

') Het zijn de werkwoorden: haldan (hoeden), falthan (vouwen), staldan (bezitten), falian (vangend, halian (hangen), slêpan (slapen), ai kan (zeggen), fraisan (beproeven), huitan (heeten), laikan (springen), maitan (snijden), skaidan (scheiden), hwöpan (zich beroemen), flukati, (klagen , *lauan (smaden), aukan (vermeerderen), en met klankwisseling: lêtan (laten), grêtan (weenen), têkan (aanraken), rêdan (raden1, saian (zaaien) en waian (waaien). Bovendien z\jn er nog elf, waarvan men met recht mag vermoeden, dat zjj reduplicatie bezaten , maar waarvan het (im)perfectum toevallig niet voorkomt: althan (oud worden), blandan (mengen), mltan (dansen), u-aldan (besturen), praggan (dringen), bicsan (blazen), thlaihan (liefkoozen), blvtan (vereeren), stautan (stooten), hlaupan (loopen) en faian (berispen).

Sluiten