Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ags. sücan, Mnl. en Ylaarasch zulten); dik (vanwaar Lat. dico, Gr. Se'iKviifity Got.teitian, NI. aantijgen , betichten) naast dig (vanwaar Lat. digitus, prodigium, dignus, Gr. düypa., Got. taikns, NI. teeken); of ook van p met b, zooals dhtip (vanwaar Ags. dyfan, NI. dobber, Mnl. bedoven , dat ook nog bij Hooft voorkomt, en waarschijnlijk ook duif) naast dhüb (vanwaar NL diep en doopen). Wisseling van dh met d vindt men in den wortel bhüdh (vanwaar Gr. T'jB-fiïiv voor phuthmên, Os. bodom, NI. bodem) naast bhüd (vanwaar Gr. iri>v$x%, Ags. botm, Eng. bottom); van gh met g in den wortel bhfigh, (vanwaar NI. buigen, beugel) naast bMg (vanwaar Lat. fugio, Gr. ipvsyu, NI. beukelaar en buik), in den wortel megh (vanwaar Skr. mahin = groot, Got. magan, NI. mogen) naast meg (vanwaar Gr. piyctq, Lat. magnus, Got. mikils, Mnl. mekel — groot)

Zoo komt ook naast Skr. ahdm (voor aghdm) in 't Lat. ego, in 't Gr. Iyó> voor, waaraan het NI. ik beantwoordt. Het Grieksch heeft é/JSsfzsq (zevende) naast het met andere talen overeenstemmende ïtttot (zeven), het Lat. memlax (leugenachtig) naast mentior (lieg), vigesimus naast vicesimus (twintigste), evenals viginti (twintig) naast het Gr. eijtoiri; en zoo komen bij ons misschien ook varken en barg van parallelwortels, evenals big(ge) en Mnl., Ylaamsch vigghe, en daarnaast het Eng. pig.

Opmerkelijk zijn ook in 't Germaansch woorden met gn, met kn en met hn (later n) aan het begin, die ook naar de beteekenis verwantschap met elkaar vertoonen en op dubbelwortels wijzen, als ten minste de k niet uit g is ontstaan en die g niet het overblijfsel van een praefix ga is. Voorbeelden zijn: ons knabbelen naast Ags.

gnafan; ons knagen, Ohd chnagan, naast Ohd., Ags., Os. gnagan,

') Sommige van deze dubbelvormen worden verklaard door assimilatie (vóór den hoofdtoon) van Indogerm. kn tot lek en pn tot pp, die dan in 't Germaansch kk en pp zouden gebleven zijn, en van Idg. dim tot Germ. tt, Idg. ghn tot Germ. kk. Daar bij de assimilatie van kn tot kk enpn tot pp moet worden aangenomen, dat in 't Germaansch geene verdere verschuiving der tenues heeft plaats gehad, terwijl bovendien nog het aannemen van verkorting der dubbelconsonanl na lange vocaal noodzakelijk is en bewijzen, dat eene (natuurlijk suffixale) n inderdaad eenmaal is voorgekomen, uit den aard der zaak ontbreken, kan ik deze verklaring niet als afdoende aanvaarden. Op de m.i. meer aannemelijke verklaring van andere geminaties door assimilatie met volgende n kom ik later terug. Vgl. verder 4 dolf Noreen, Abrias der Urgermanischen Lautlehre (Strassburg 1894) p. 154—156 en de daar aangehaalde litteratuur.

Sluiten