Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nut hebben en met één oogopslag doen zien, welke klank in een woord van de eene taal moet voorkomen om verwantschap er van met een woord in de andere taal met eenigen grond te mogen doen vermoeden; maar niemand zal er nu meer de formuleering van klankwetten in zien, want voor ons goeft „klankwet" niet meerde betrekking van de klanken der verschillende talen tot elkaar aan, maar den regelmatigen overgang van den eenen klank in den anderen , natuurlijk in dezelfde taal. De wetenschap der taalvergelijking is meer en meer tot eene historische taalwetenschap ontwikkeld , al blijft ook de vergelijking zelf het uitgangspunt voor het historisch onderzoek, en zoo zijn de klankwetten voor ons niet meer verhoudings-, maar ontwikkelingswetten. Dat aan Skr. d in het Got. ê of ó beantwoordt is voor ons niet ééne klankwet, zelfs niet eene verkorte formuleering van twee klankwetten , maar het resultaat van de werking van zes klankwetten : drie voor het Sanskrit en drie voor het Gotisch, namelijk deze: Indogerm. d 1°. blijft in 't Skr. en 2°. wordt ó in 't Gotisch (bv. Skr. bhrïltar, Got. bröthar); Indogerm. ê 3°. wordt d in 't Skr. en 4°. blijft ê in 't Gotisch (bv. Skr. müs, Got. rnêna = NI. maan); Indogerm. 6 5°. wordt d in 't Skr. en 6°. blijft ó in 't Gotisch (bv. Skr. piltram, Got. fódr = NI. foedraal, scheede).

Die zes wetten kunnen wij dus onderscheiden in drie wetten van klankhandhaving en drie van klankwijziging. Wil men alleen die laatste met den naam van klankwetten bestempelen, dan is daar niets tegen, schoon de eerste evengoed voldoen aan het kenmerk eener klankwet, namelijk dat zij niet de bijzondere geschiedenis van enkele woorden op zich zelf, maar de algemeene geschiedenis van een bepaalden, in allerlei woorden derzelfde taal voorkomenden , klank leert kennen en bij verschillenden ontwikkelingsgang in verschillende woorden de algemeene voorwaarden formuleert, waaronder dat verschil zich moest voordoen,

Uit het begrip „wet" volgt van zelf reeds hare „algemeenheid", maar uit het feit, dat wij hier met physiologische wetten te doen hebben, tevens hare „volstrekte algemeenheid". Wie onopzettelijk, alleen tengevolge van eene verandering in den toestand zijner spraakorganen of de werking zjjner spieren aan de a van bhrdtar meer eene ó-klank geeft, die ten slotte de a volkomen in ó doet overgaan, moet dat ook doen met de d van mutar en allo andere a's; en wat van het individu geldt, geldt evenzoo van een geheeleu stam, een geheel volk.

12*

Sluiten