is toegevoegd aan je favorieten.

Inleiding tot de geschiedenis der Nederlandsche taal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze vormen toch hebben wij ook vroren , gevroren en waren (niet meer geweren). Zoo ook zijn de causatieven nasjdn (van nésan, nu genezen) en laizjan (van lisan, dat wij niet hebben) bij ons (ge)neren en leeren met r. Dat wijst ons op overgang van z in r en inderdaad heeft die ook in alle West-en Noordgermaansche talen plaats gehad (doch eerst in historischen tijd, want het On. geir, Ags. gar = speer, is ons door de Romeinen nog in den vorm gaesum overgeleverd), terwijl alleen het Oostgermaansch (Gotisch) dien overgang: het zoogenaamd rhotacisme, niet kent, maar z behield, althans voor zoover die z niet weer s werd. Ook de weinige oude 2's gingen in r over en een tijd lang moet West- en Noordgermaansch geene z meer bezeten hebben. Alleen deed er zich nog lang de nawerking van gevoelen door eene eigenaardige uitspraak der r uit z, die eerst later met de gewone /-uitspraak door typeering samenviel.

Het rhotacisme is ook uit het Latijn bekend. Daar ging de s tusschen twee klinkers, die in 't Grieksch uitviel, eerst tot 2 over, evenals in de andere Italische dialecten (Umbrisch, Oskisch, enz.) en dus reeds zeer vroeg. Vervolgens werd die z tot r, doch eerst in de historische periode, zoodat de geheele overgang eerst op het eind van de éde eeuw v. Chr. voltooid was. Toen zeide men ero (ik zal zijn) voor wat in Oud-Latijn nog esö luidde; toen was ausosa (vgl. Skr. usjas) aurora geworden, was het meerv. van mus (muis) tnlires, van genus (soort) genera, van arbos (dat zich later zelf met r naar de vormen met r voegde) arbores. Toen heerschten naast elkaar vormen als queror en questus, quaero en quaestor, lionores en honestus. Toen eenmaal iedere s (z) tusschen twee klinkers in het Latijn tot /• was geworden, was ook daar het proces afgeloopen. De later toevallig in het Latijn tusschen twee klinkers ontstane s (zooals bij quaeso en hausi, uit quaesso en Itaussi) ging niet meer in r over.

Daar het West-Germaansch in de eerste eeuwen onzer jaartelling iedere z had verloren, moet de z van ons kozen, gekozen, lazen, gelezen betrekkelijk jong zijn. Zij is dan ook analogie-vorm naar kiezen en lezen en daarin is de z later weer uit s ontstaan naar de Nederlandsche klankwet, dat s vóór klinkers of w en tusschen twee klinkers altijd z is geworden en wel reeds in de periode vóór het Middelnederlandsch geschreven werd, al gebruikte het Middelnederlandsch er ook nog meestal geen ander dan het s-teeken voor,