Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen worden de zachte spiranten (v, z, g) tot de scherpo (f, s, ch) vóór p, t, k, f, s, ch en ook yóór v, z, g, die dan zelf verscherpt worden.

Gedeeltelijke progressieve assimilatie is het, wanneer de tenues (p, t, k) en de scherpe spiranten (f, s, ch) en ook de op het eind van eene lettergreep scherp geworden b, d, g de volgende zachte spiranten (v, z, g) tot scherpe maken. Wij spreken uit: scheepfaart, uifflucht, siokfisch , aff'al, grasfeld , pleechfader; topseil, platsak, geluksalig , strafsaak, bassanger, pleechsoon , diepchang , uitchave, strijkchoed, lijfchoed, kascheld, dachcheld.

Door volkomen assimilatie zijn in alle Indogermaansche talen verreweg de meeste geminaties ontstaan, die in het Oerindogermaansch waarschijnlijk in 't geheel niet voorkwamen en ook nog in hot Oergermaansch vrij zeldzaam zullen geweest zjjn.

Volkomen progressieve assimilatie moet in het Oergermaansch reeds vóór de klankverschuiving hebben plaats gehad met Indogerm. lm, dn, gn, die, als het Indogerm. accent volgde, overgingen tot bb} dd, gg, en dan vervolgens door de klankverschuiving pp, tt, kk werden. Zoo verklaart men de geminatie bij knippen naast knijpen, bij slippen naast slijpen, bij stotteren naast stoot en, bij kat(t) naast kater , bij brok(k) naast breken , bij bakken naast Ags. bacan, enz. ').

Kan de Germaansche assimilatie van « met voorafgaande mutae nog niet meer dan eene min of meer aannemelijke hypothese genoemd worden, onbetwijfelbaar is in 't Germaansch progressieve assimilatie van de n met voorafgaande l, waarvan men zelfs mag aannemen, dat zij reeds in 't Oergermaansch zonder uitzondering heeft plaats gehad Wij hebben er voorbeelden van in wol(l), Got. wnlla (uit *tolna; vgl. Skr. ürnd, Lat. lana, voor *wlana); vol(l), Got. fulls (uit *plno ; vgl. Skr. pürnd, Lat. plenus); vet(l), stil(l),

ij Zoo worden ook verklaard die pp, tt, kk, welke verschoven zijn uit de geminatie bb, dd, gg, waarvan men aanneemt, dat z(j is voortgekomen uit de (assimilatie van de Germaansche zachte spiranten met de n, doch daar die verklaring mjj niet ten volle bevredigt, verwijs ik liever dan verder over de quaestie der assimilatie van de « uit te weiden, daarvoor naar Wenker, Ueber die Verschiebtmg des Stammsilbenauslautes im Germanischen Bonn 1876, naar verschillende stukken in Paul und Braune's BeitrSqe, van Paul (VII 133 vlg.), Osthoff (VIII 297 vlg.). Kluge (IX 149 vlgg.), Kauffmann i XII 504 vlgg.) en verder naar K. Brugmann, Grundriss 1 (Strassburg 1886) p 390. 393, Adolf Noreen, Abri au der Urgermaiiischc Laiitlehre (Strassburg 1894) p 154—156, en W. Streitberg, Urgertnanische Grammatik (Heidelberg 18%) p. 138 vlg.

Sluiten