Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tenhoofd te zien, die bij het inzetten yan de stem en het plotseling openen van de stemspleet ontstaat en die in het Hebreeuwsch door de aleph, in het Arabisch door de liamza en in het Grieksch door den spiritus lenis ook in het schrift wordt aangeduid. Voorbeelden van zulke woorden met oogenschijnlijk prothetische klinkers in het Grieksch zijn: «Aei'yto (zalven, naast mttci;, vet), êufzékyu (naast Lat. mulgeo, NL melken), avefrg (naast Lat. neptis, NI. nicht en Gr. i/ia-sJcij, Lat. napos, NL neef), c/.o-Trxipu (spartelen, naast iritaipui), a.TTqp (naast Lat. stella, NI. ster), 'évvex (naast Lat. novem, NL negen), èpi/9-ps<; (naast Lat. ruber, Nl. rood), óur/iw (naast Lat. mingo), (nevel, naast Litt. migla), ipiyu

(naast Lat. por-rigo, Nl. rekken), ipsKré^ (naast Lat. rectus, Nl. recht), ip-iaro-w (graven, naast Lat. runco, wieden), enz. In de Nieuwgrieksche dialecten is het aantal, vooral door voorvoeging van eene a, nog wat grooter geworden.

Dat de sonantische (d.i. als klinker uitgesproken en eene lettergreep vormende) l, r, m en n , die in het Oerindogerm. voorkwamen en waarvan r (en l) nog in 't Sanskrit gevonden wordt, zich in den historischen tijd in de andere talen niet hebben kunnen handhaven, kan ons niet bevreemden. Zij gingen over in de medeklinkers l, r, m en tl, voorafgegaan of gevolgd door een' klinker (in 't Germ. u, later vaak o). Zoo is b.v. Skr. mrtam (dood) te vergelijken met Lat. mors (stam mort), Hd. mord, Nl. (met rekking der o) moord. Dat verschijnsel noemt men in navolging van de Indische taalgeleerden svarabhakti. In lateren tijd herhaalde zich dat verschijnsel in verschillende talen, als in dezelfde lettergreep twee medeklinkers op elkaar volgden en dat bij ongebroken accent eenige moeielijkheid in de uitspraak opleverde. Dan ontwikkelde zich niet zelden tusschen beide consonanten , vooral als de eene eene sonore (liquida of nasaal) was, een onduidelijke klank , die dan later eene korte duidelijke vocaal kon worden, welke eene nieuwe lettergreep vormde. De nieuwe klinker heette dan naar de terminologie der Alexandrijnen epenthetisch. Hetzelfde verschijnsel treffen wij ook, en wel in hooge mate, buiten het Indogermaansch aan, namelijk in het Semietisch. Uit het Hebreeuwsch toch zijn zulke zeer korte toonlooze klanken aan ieder bekend en wel onder den naam van sjeira's, naar het teeken, waarmee zij in het schrift worden aangeduid. Gaan deze .y'e/ca's over in duidelijke klanken, dan worden zij naar het

Sluiten