Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de 15 millioen Engelschen, die in 1841 geteld werden, niet minstens even welvarend waren als de 13 millioen die het land tien jaar te voren hadden bevolkt, vooral niet toen, bij toenemende stijging van loouen in vele takken van nijverheid, door de groote belastinghervormingen van Peel, tal van eerste levensbehoeften ontlast werden. Die aanwas van bevolking was te merkwaardiger, omdat hij bijna uitsluitend het eigenlijke Engeland zelf betrof. De bevolking van Wales en der tot Engeland behoorende eilanden, die in 1831 te zamen ongeveer een millioen telde, die van Schotland van 21,, millioen en die van Ierland van bijna 8 millioen, waren in die tien jaren niet buitengewoon toegenomen, slechts met ongeveer een half millioen, zoodat de 24'2 millioen van het geheele vereenigde koninkrijk van 1831 in 184(5 tot 27 millioen waren gestegen. Ware niet in die dagen de landverhuizing uit de Britsehe eilanden, naar Amerika zoowel als naar de Britsche koloniën in Canada en Australië, zoo aanzienlijk geweest, die cijfers zouden aanmerkelijk hooger geweest zijn.

Ons schijnen ze niet zoo buitengemeen; wij zijn thans aan geheel andere vermeerderingen van bevolking gewoon, maar in die dagen kon iets dergelijks slechts in zeer enkele landen worden waargenomen. Sterk sprekender echter was wel het feit, dat onder Peels wijs financieel beleid de staatsschuld zoodanig kon worden hervormd, dat de rente een veel minder aanzienlijker post op de begrooting uitmaakte, en dat, niettegenstaande ontzaglijke sommen moesten worden besteed om den schrikkelijken nood te leeningen, die ten gevolge der aardappelziekte in die dagen Ierland teisterde. Een nieuw tijdperk van ellende brak daarmede voor dat ongelukkigste aller landen aan.

Van toen af bleef Ierland, even als in het einde der beide vorige eeuwen, als 't ware de wonde plek van het Britsche rijk; het bleef een scherpe tegenstelling vormen met al de andere deelen, die, in Europa en daarbuiten, een tijdlang de wereld een schouwspel van ongekende welvaart en van vooruitgang aanboden, een vooruitgang, niet zoo duizelingwekkend als die van Amerika, maar juist daarom meer vertrouwen inboezemend. Niet het minst omdat de sociale bewegingen, die na 1830 meer en meer Europa verontrustten, in Engeland wel niet ontbraken, maar een geheel ander, veel minder revolutionnair karakter droegen. Wel is waar scheen dat in de jaren tnssehen 1830 en '48 niet het geval, want de democratische en eenigszins socialistische, naar haar eiseh van een geschreven grondwet (charter)

Sluiten