Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Turkije teruggegeven. De eilanden aan de Aziatische kust hadden maar voor een deel en voor een korten tijd het Turksche juk afgeschud, en de Ionische eilanden vormden toen, en nog lang daarna, een zelfstandige republiek onder Britsche bescherming. De Grieken in de Klein-Aziatische steden, in de kustlanden van Macedonië en Roeraelië en in het overige Balkan-schiereiland waren nog altijd veel talrijker dan die in het eigenlijke Griekenland, dat nimmer een vruchtbaar land geweest was.

Ook nu was, behalve de bouw van enkele gewassen, met name de druiven, die in massa gedroogd werden uitgevoerd, de handel in de oostelijke deelen der Middellandsche zee daar de hoofdtak van bestaan. De Grieksche zeevaarders droegen nog altijd het oude karakter en waren maar al te licht te bewegen tot zeerooverij. De vooral ter zee voor de Grieken voorspoedige oorlog had hun verwildering nog in de hand gewerkt, en meer dan een menschenleven 11a den vrede van Adrianopel was de Archipel tot dicht bij de Dardanellen een onveilig vaarwater voor ongewapende koopvaarders.

Op het land was het trouwens niet beter. Even goed als menig beroemd punt in Italië, waren ook in Griekenland de bouwvallen, voor zoover zij toen al bekend waren, niet anders te bezoeken dan onder militaire bedekking. Ook hier had het eeuwenoude wanbestuur, waarbij nu nog de nationale afkeer en vooral de godsdiensthaat kwam, de bevolking van oudsher tot wanhoop gedreven. Het geheele Balkanschiereiland wemelde van roovers; in de twee laatste eeuwen was bij de Grieken het woord kleft (dief) een eerenaam geworden, zooals bij de Serviërs dat van heiduk. Sommige volken, zooals de Albanezen, de Montenegrijnen, vroeger ook de Soelioten en de bewoners van de Maina, het zuiden der Morea, leefden haast uitsluitend van rooftochten, meest op Turksch gebied, soms echter ook op dat van andere, niet bevriende stammen of gemeenten. Mannen, die zich een naam zochten te maken, begonnen niet zelden als rooverhoofdman; de meeste helden van den Griekschen vrijheidsoorlog hadden dat gedaan.

Onder zulke mensehen orde te stichten en te bewaren, en tevens de vrijheid te eerbiedigen, vereischte buitengewone energie en beleid, en tevens aanzienlijke militaire, maritieme en financieele krachten. En aan het jonge koninkrijk ontbraken de laatste niet minder dan aan zijn leiders de eerste. Daarenboven had men niet kunnen nalaten een grondwet in te voeren, die de macht der regeering in vele op-

Sluiten