Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Begin van den strjjd om SleeswykHolstein.

Terwijl het Duitsche volk met cle voorbereiding van dat groote werk bezig was, had het wonderlijk iugewikkelde vraagstuk van Sleeswijk tot gebeurtenissen geleid, die van diep ingrijpenden invloed op den algemeenen gang van zaken waren.

Het optreden van Deneraarken was zoo uitdagend, zijn overmacht tegenover de hertogdommen zoo zichtbaar, dat Frederik Willem IV niet nalaten kon zijn woord gestand te doen, en den 10de" April zijn troepen de Sleeswijksche grenzen deed overschrijden. Het waren grootendeels de garderegimenten, die te Berlijn hadden gelegen, versterkt door andere korpsen. Het bevel was aan generaal Wrangel toevertrouwd, die zich reeds in den Bevrijdingsoorlog als een stout ruiteraanvoerder had doen kennen. Hannoversche en andere Noord-Duitsche bondscontingenten volgden en ondersteunden zijn operatiën.

De Bondsdag had in diezelfde dagen partij gekozen, de erkenning der voorloopige regeering te Kiel uitgesproken en zelfs een afgevaardigde uit Sleeswijk onder zijn leden opgenomen. Hij noodigde Pruisen uit bij de Deensche regeering aan te dringen op toestemming in de opneming van Sleeswijk in den Bond. De Deenen antwoordden met het opbrengen van Pruisische koopvaarders, zoodat de breuk onvermijdelijk werd. Reeds den 238ten April bestormde Wrangel de Deensche stelling aan de Schley, de zoogenaamde Daunewirke, en dreef de Deenen in verwarring terug. De stad Sleeswijk en weldra ook Flensburg vielen in zijn handen; geheel het hertogdom werd door de Deenen ontruimd. De Jutlandsche grensvesting Fredericia werd zonder tegenstand overgegeven en het zuiden van Jutland bezet.

Maar de Deenen vertrouwden veel te veel op den bijstand der Europeesclie mogendheden, om reeds nu toe te geven. In Zweden ontstond een sterke beweging om hen bij te staan. Zweedsche troepen stonden in Skonen gereed om naar de eilanden over te steken. Koning Oscar van Zweden zelf begaf zich naar Malmoe. En achter Zweden, vermoedde men, stond Ruslaud. Keizer Nicolaas dreigde met een formeel protest tegen de handelingen van zijn zwager, den koning van Pruisen. Als lid van het huis Oldenburg achtte hij zich gerechtigd een woord mede te spreken in wat hem vooral een successie-quaestie scheen, waarvan de revolutie gebruik maakte, aan welke de Pruisische koning zich had onderworpen. In Frankrijk was de toestand niet van dien aard, dat er vooralsnog van een inmenging in Duitsche zaken sprake kon zijn, maar zoodra de binnenlandsche vraagstukken het toe-

Sluiten