is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis van onzen tijd sedert 1848

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerste optre den van der rijksbestuur der en bet Duitschecer traal gezag.

Deze liad, terstond nadat de keus op den aartshertog gevallen was, | een deputatie naar Weenen afgezonden om dezen die waardigheid aan te bieden. Zij was niet alleen zeer vriendelijk bejegend, maar ontving ook onmiddellijk een toestemmend antwoord, niettegenstaande den aartshertog juist in denzelfden tijd door den keizer opgedragen was den Oostenrijkschen rijksdag in zijn naam te openen en hem tijdelijk te Weenen te vervangen. Men was in Oostenrijk en over 't algemeen ook in Duitschland zeer tevreden over de keus, waarin de conservatieven de bevestiging van Oostenrijks verhouding ten opzichte van Duitschland zagen. Dat had ook koning Frederik Willem er in behaagd, die zich terstond bereid verklaarde den aartshertog in zijn nieuwe waardigheid te erkennen. Zijn voorbeeld noopte ook de koningen van Beieren en Hannover, die eerst in de verkiezing van een rijksbestuurder een bedreiging van hun zelfstandigheid hadden gezien, hun tegenstand te laten varen. De kleinere vorsten haastten zich toen hun toestemming te geven.

Ook van den Bondsdag ondervond de nieuwe rijksbestuurder geen tegenstand. Integendeel, de presideerende Oostenrijksche gezant, Schmerling, stelde zijn ambtgenooten voor hem alle rechten en plichten over te dragen, welke tot nog toe den Bondsdag toegekend waren gewesst, en vond daarbij algemeene instemming. Hij voegde er, met gelijke instemming, aan toe dat de Bondsdag zich daardoor niet formeel ontbonden verklaarde. Dit kon hij eerst doen door een eenstemmig besluit, na aanneming en erkenning der nieuwe staatsinrichting van Duitschland door de gezamenlijke Duitsche regeeringeu. Op die wijze werd aan alles wat de aartshertog als rijksbestuurder mocht doen een zekere sanctie verleend vanwege de regeeringen, en tevens werd het voor den Bondsdag mogelijk op nieuw in werking te treden, wanneer de nieuwe staatsinrichting niet tot stand kwam of niet door de regeeringen werd aanvaard.

Zoo werd dan op den 12''™ Juni de aartshertog in de Nationale Vergadering, na bezwering van haar besluit van den 28*tcn, dat de bevoegdheid van den rijksbestuurder omschreef, in zijn waardigheid geïnstalleerd en daarna ook door den Bondsdag bekleed met de waarneming zijner functiën. Schmerling verklaarde dat deze daarmede zijn werkzaamheid als geëindigd aanzag.

In de vergadering werd wel door eenige leden op de dubbelzinnigheid dezer handeling gewezen, maar de meerderheid was veel te veel