Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te erkennen, en ook die der middenstaten dat kwalijk durfden weigeren. Zelfs in Pruisen drong liet huis der afgevaardigden sterk op die erkenning aan en liet niet nu zicli zeer afkeurend over de houding der regeering daartegenover uit te spreken. De druk der openbare meening, in vertegenwoordigingen en volksvergaderingen openlijk uitgesproken, werd niet minder, toen de Oostenrijksche regeering in een scherp protest tegen de handelingen der Nationale Vergadering opkwam. Zij beweerde, dat deze haar volmacht in alle opzichten te buiten was gegaan en daardoor schuld was, dat de hervorming van Duitschland als geheel mislukt kon beschouwd worden. Zij noodigde daarom den rijksbestuurder uit, voorloopig het ambt, dat hem door den Bondsdag was opgedragen, te blijven waarnemen, totdat door de regeeringen over den vorm van het centraal gezag was beslist, en verbood tevens aan de Oostenrijksche afgevaardigden in het Parlement langer deel te nemen aan een vergadering, welke zij niet meer als een wettige kon erkennen. Tegelijk behield zij zich alle rechten voor, welke Oostenrijk krachtens de Bondsacte in Duitschland toekwamen. In een andere nota wees zij het aanbod van Frederik Willem, om het rijksbestuurderschap op zich te nemen, smadelijk af, omdat dit ambt niet vacant was, en verklaarde in geen regeling der Duitsche aangelegenheden te zullen toestemmen, die Oostenrijk aan een andere regeering ondergeschikt kon maken of een deel van Oostenrijk aan niet-Oostenrijksche wetgeving onderwierp. Het was een protest tegen elke opdracht van oppergezag aan Pruisen.

Bij de heerschende opwinding en bij den juist in dien tijd sterk toenemenden tegenspoed der Oostenrijkers tegen de Hongaren, maakte dit optreden betrekkelijk weinig indruk. Men verheugde zich eerder in Duitschland geen verdere rekening met Oostenrijk te behoeven te houden. Alleen voor Frederik Willem was het denkbeeld om met Oostenrijk te moeten breken (en dat moest hij ontwijfelbaar, wilde hij zijn plannen doorzetten) ondraaglijk. Tegelijk zag deze in het toegeven der Duitsche regeeringen aan de openbare meeniug en in hun erkenning der constitutie een bewijs, dat zij zich niet vrijwillig onder zijn opperleiding zouden begeven. Eu opdringen wilde hij die aan niemand. Daarenboven toonde zich de Nationale Vergadering ongeneigd om in de voor zijn bedoelingen volstrekt noodzakelijke wijziging der constitutie toe te stemmen. Dat was genoeg om hem het besluit te doen nemen, de aangeboden waardigheid onvoorwaardelijk af te

Sluiten