Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vernietigen van alle kapitaal verloren. Natuurlijk werd bij de reorganisatie van het bestuur niet de minste notitie genomen van de behoeften of eigenaardigheden der bevolking.

De Oostenrijksche regeeriug nam hierbij als grondslag aan, dat Hongarije al zijn oude instellingen en rechten tengevolge der revolutie verbeurd en de regeering dus volkomen vrijheid van handelen had. Zoo kou het den Kroaten en Serviërs de ééne voldoening verleenen, dat hun landen, evenals Servië, Zevenbergen en de Militaire grenzen, tot geheel zelfstandige deelen der monarchie werden verklaard, geheel onafhankelijk van Hongarije. Maar dat was dan ook ongeveer alles, wat de Slaven verkregen; aan de Kroaten werd door Jellachich ingescherpt, dat de feodale tijden voorbij waren en alle bijzondere rechten hadden opgehouden te bestaan.

111 Hongarije bleef voorloopig het militair gezag het hoogste; in de nieuw ingerichte groote districten was liet burgerlijk bestuur daaraan ondergeschikt, dat overigens rechtstreeks onder het Weener ministerie werd gesteld. Het klonk als spot, toen er wat later de Maart-constitutie werd afgekondigd.

Ook toen eindelijk de wraak was voldaan, in den zomer van 1850 het militair schrikbewind werd opgeheven en Haynau met de in Oostenrijk spreekwoordelijke ondankbaarheid van zijn post ontheven eu op pensioen gesteld (de moor had zijn plicht gedaan, de moor kon gaan!), veranderde de toestand weinig, omdat het land bleef blootstaan aan de willekeur der uit Weenen gezonden ambtenaren. De behandeling was ongeveer dezelfde als die der Italiaausche gewesten en droeg ook dezelfde vruchten.

Met de andere kroonlanden dienden de Weener bureaucraten, als wier hoofd Bach weldra den krankzinnig geworden Stadion verving, natuurlijk eenigszins anders te handelen. Hun grondwettige instellingen bleven in naam bestaan, hun landdagen werden weder opgericht, maar slechts op het papier. De regeeriug riep ze, zelfs in hun nieuwen, zeer gewijzigden vorm, meestal niet bijeen. Haar willekeur keerde verder zich even goed tegen Slaven en Duitschers als tegen Hongaren, eigenlijk tegen ieder die het waagde een eigen meening te uiten. Van den geest der omwenteling was niet veel meer te bespeuren, daar de bevolking, op het land meestal door de opheffing der erfdienstbaarheid tevreden gesteld, weldra in de oude onverschilligheid op staatkundig gebied terug zonk. Ook te Weeneu keerde liet oude leven weder, alsof er nimmer een October-opstaud was geweest.

Sluiten