Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarschijnlijk geen der kleine staten bezwaar durven maken; die dat deed kon men, beweerde hij, ignoreeren. Van een liberum veto der staten, zooals op den Hondsdag op zoovele punten gold, wilde hij niet weten, hoewel hij dit vroeger als een dierbaar kleinood der Duitsche vrijheid had voorgesteld, terwijl de Pruisische minister het had willen afschaffen.

Manteuffel was echter veel te slim om op dit voorstel in te gaan. Immers, onder de niet afgedane punten was de quaestie van het voorzitterschap, dat Pruisen niet opgeven wilde. Ware Schwarzeubergs plan doorgegaan , dan was het hoofdpunt beslist en Pruisen voor goed in de minderheid en zou het nimmer het presidium in handen kunnen krijgen. In persoon onderhandelden daarop de beide ministers, maar zonder resultaat, want Pruisen weigerde het voorstel op de gevraagde wijze te ondersteunen, en de voorslagen der commissiën vonden in de volle vergaderingen der conferentie, welke Schwarzenberg toen wel moest laten houden, geen meerderheid. Manteuffel nam die gelegenheid met groote handigheid waar. Hij gaf aan Schwarzenberg te kennen, dat Pruisen zijn toestemming tot de intrede van geheel Oostenrijk afhankelijk maakte van die van Oostenrijk in de wisseling in het voorzitterschap. Daar geen Oostenrijker daarin ooit kou toestemmen, was daarmede de zaak beslist.

Het geheele plan vau Schwarzenberg bleek onuitvoerbaar. Wel werden alle voorstellen in de commissiën te Diesden zoo vlijtig uitgewerkt, dat deze in Mei haar rapporten gereed hadden, maar het was onmogelijk deze in liet plenum der conferentie zelf verder te behandelen. Want het bleek dat de meeningen der verschillende staten zoozeer uiteen liepen, dat 11a langdurige onderhandelingen voor Schwarzenberg niets overschoot dan de conferentie op den 15dr" Mei te sluiten, met de verklaring, dat haar werkzaamheid wel vooreerst tot geen resultaat had geleid, maar kostbaar materiaal voor de toekomst had bijeengebracht.

Het eenige wat Oostenrijk verkreeg, was een voor drie jaren geldig geheim verdrag met Pruisen, waarbij beide mogendheden elkander bijstand beloofden, wanneer hun bezittingen werden aangevallen. Maar overigens was het niet gelukt Pruisen of eenig ander Duitsch land tot erkenning der Oostenrijksche hegemonie naar Schwarzeubergs opvatting te dwingen. Er bleef niets over dan om den Duitscheu Bond eenvoudig, zooals hij in Maart 1848 had bestaan, weder in

Herstel vau den ouden Bond

Sluiten