Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvan waren ware triomfen van het kerkelijk gezag, het allermeest dat met Oostenrijk van het jaar 1853, 't welk geheel en al met al de beginselen brak, waarnaar sedert Joseph II de monarchie was geregeerd. Maar de Oostenrijksche regeering zocht in haar angst voor de revolutie overal naar bondgenooten en vond er geen bereidwilliger dan in de Curie. Terwijl liet bij deze overeenkomsten er bovenal op aankwam de Kerk vrij te maken van het dikwijls zeer strenge toezicht van het staatsgezag, gold het in de protestantsche landen, met aauzieulijke katholieke bevolking, het van de regeering verkrijgen van toestemming in het herstel der sedert de Hervorming vernietigde organisatie. In Engeland zoowel als in Nederland gelukte dit, juist tengevolge van de zegepraal der moderne begrippen. Liberale regeeringen toch konden alleen reeds om der consequentie wil haren katholieken burgers dergelijke ontwijfelbaar rechtmatige rechten niet onthouden en gaven toe aan eischen, die conservatieven nimmer zouden hebben toegestaan. Het gevolg was te voorzien. In beide landen ontstond een geduchte storm van de zijde der protestanten, maar de geest des tijds was te sterk in die dagen dati dat het geroep van No popery beteekenis hebben kon in Engeland, en in Nederland was daar in het geheel geen plaats voor. Daar was wel het aftreden van het liberale ministerie en de ontbinding der liberale kamer het onmiddellijk gevolg van de zoogenaamde April-beweging, maar de nieuwe hiërarchie werd er niet minder om ingevoerd. Wat echter de liberalen in geen van beide landen hadden voorzien, de nieuwe organisatie werd er het uitgangspunt van bewegingen. welke voortdurend sterker werden en soms den protestanten ernstige bezorgheid voor het behoud van het karakter der natie inboezemden. Evenwel, hoezeer de clericaal-katholieke strooming machtig begon toe te nemen en sterken invloed begon uit te oefenen op klassen van de maatschappij, die vroeger zich onderscheidden door hun weinigen ijver voor den godsdienst, en hoezeer ook over het algemeen in vele landen de lauwheid en onverschilligheid van het vroeger geslacht begon te verdwijnen, dat alles ging betrekkelijk langzaam en in stilte, onbemerkt door wie er niet persoonlijk door werd aangeraakt. Bovenal in het kerkelijk leven was deze tijd een tijd van voorbereiding. Met name moest in vele landen het personeel der geestelijkheid een geheele verandering ondergaan; er waren nog te veel priesters, die moeilijk met een zoo krachtige beweging gelijken tred konden houden. En zoolang dit niet het geval was, kon de katholieke be-

Sluiten