Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vangen en ter dood gebracht. Een tijdlang dreigde dit ernstige gevolgen te zullen hebben; de Amerikaansche pers wedijverde met de Spaansche in uitvallen tegen den nationalen vijand. Maar de Amerikaansche regeering gaf niet toe aan liet drijven der zuidelijken, en zoo bleef de vrede bewaard. Van nu af aan echter was voor vele Amerikanen het verkrijgen van Cuba, met geweld of op vredelievende wijs, als t ware een politiek vraagstuk, en als de democratische afhangelingen van het Zuiden langer in de Republiek de macht in handen hadden gehouden, zou dat voor Spanje een ernstig gevaar zijn geworden. Yoorloopig echter bestoud daar geen vrees voor. De toestanden op Cuba waren niet onbevredigend. De nationaal-Cubaansche partij op het eiland bleef gering en zonder invloed, en een aanleiding tot inmenging bleef uit. Daarom konden de in 1854 openlijk gedane voorstellen van den Amerikaanschen gezant Soulé, een Franschen republikein, die, naar New-Orleans uitgeweken, daar een grooten invloed onder de slavenhoudende aristocratie had gewonnen, door het kabinet Espartero van de hand worden gewezen, als een beleediging, "daar de verkoop van Cuba de verkoop van Spanje's eer zou zijn1", zonder dat daar iets op volgde dan de zoogenaamde verklaring van Ostende, waarin Soulé en twee andere Amerikaansche gezanten, op verzoek hunner regeering, de noodzakelijkheid van een verkoop van Cuba door Spanje aan de Yereenigde Staten, als het eenige middel om deze quaestie op te lossen, uiteen zetten. En deze verklaring vond bij de in Amerika juist thans veldwinnende tegenpartij der drijvers zulk een afkeuring, dat duidelijk bleek, dat Spanje vooreerst niets te vreezen had, als het maar voortging te zorgen dat de Cubanen niet zeiven begeerden van den band met het moederland bevrijd te worden. De vraag bleef alleen, of Spanje dit zou doen.

Zooals het nu stond, ging Cuba voortdurend vooruit. De bevolking nam merkwaardig snel toe; bij de volkstelling van 1857 bleek zij op bijna anderhalf millioen gestegen, terwijl zij acht jaren vroeger 250,000 zielen minder had geteld. Van die kleine anderhalf millioen waren ongeveer 5(54,000 blanken, 216,000 vrije kleurlingen en 662,000 slaven. De geweldige stijging van het laatste getal bewees hoe weinig het verbod van slavenhandel hielp, want er was geen denken aan, dat die vermeerdering alleen aan de geboorten was toe te schrijven, terwijl de toeneming der vrije kleurlingen aantoonde, dat vrijlating betrekkelijk veel bleef voorkomen. De productiviteit der kolonie ging in die dagen

Sluiten