Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want voor de staatkundige vrijheid, die het groote werk der hervorming van staat en natie moest bekronen, zooals Napoleon gezegd had, achtte de keizer en zijn raadgevers de natie allerminst rijp. Zij begrepen wel, dat het op den duur niet mogelijk zou wezen deze in denzelfden staat van onmondigheid te houden, maar zij waagden geen proefnemingen. Integendeel, alle gezag berustte bij de regeering en haar organen. Zelfs de protestantsche en Israëlitische kerkgenootschappen, die tot nog toe aan de staatsbemoeiing onttrokken waren gebleven en zich zelf zoo goed het ging hadden bestuurd, werdeu thans aau een vaste organisatie onderworpen, welke haar haast evenzeer als de katholieke Kerk tot staatskerken maakte. Het onderwijs was alleen in zoover aan het staatsgezag onttrokken, als het aan de Kerk onderworpen was. Een onderwijzer was in de eerste plaats een staatsdienaar; zijn taak werd hem van boven af voorgeschreven; alleen de kerkelijke onderwijs-inrichtingen waren vrij van het drukkend staatstoezicht. En zoo was het overal; als er werd gesproken van decentralisatie, dan beteekende dat gewoonlijk, dat den prefecten wat ruimer bevoegdheid werd vergund; maar de verschillende raden, die de bevolking vertegenwoordigden in de departementale en andere grootere en kleinere gewestelijke en plaatselijke besturen, bleven van allen wezenlijken invloed verstoken.

Wel werd van de vrijheid van ieder Franscliman hoog opgegeven in proclamatiën bij verkiezingen, maar altijd met toevoegingen, die elk gebruik dier vrijheid onmogelijk maakten. Zoo werd bij de verkiezingen voor het Wetgevend Lichaam in 1857 door de regeering in een rondschrijven aan de prefecten verklaard, dat ieder volle vrijheid had als candidaat op te treden tegenover de officieel door de regeering aanbevolen candidaten, maar er aan toegevoegd, dat de prefecten hadden toe te zien, dat van die vrijheid geen misbruik werd gemaakt ten nadeel der openbare orde en van het prestige van het gezag. En toch werden de burgers aangemaand om allen te stemmen, ten einde, zooals sommige prefecten het uitdrukten, te doen zien, hoezeer de natie bereid was de regeering te ondersteunen! Geen wonder, dat de boeren, die over 't algemeen er niet aau dachten op een niet-officieelen candidaat te stemmen, soms beweerden dat het niet de moeite waard was te gaan stemmen; de regeering moest maar liever eenvoudig haar candidaten als vertegenwoordigers aanwijzen!

Bij zulk een vrijheid van verkiezing kwamen slechts zeer enkele

Sluiten