Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid geweken was en dat de ilageu voorbij waren, waarin de regeering meende met het staatsgezag te mogen tusschenbeiden komen, als er strijd in de protestantsclie Kerk ontstond, zooals koning Willem I gedaan had.

Het opgewekte, dat het politieke leven kenmerkte, was ook op ander gebied te bespeuren. Haast tot het overdreveue toe waren de klachten, welke in die dagen vernomen werden over de achterlijkheid van Nederland, vergeleken met andere Europeesche landen. Onwillekeurig vergeleek men Nederland voortdurend met Engeland, den ouden mededinger, die ons al sinds zoo lang had overvleugeld, niet alleen omdat hij zooveel krachtiger, maar bovenal omdat hij zooveel grooter was en in zooveel gunstiger omstandigheden verkeerde. Zeker, op allerlei punten had men reeds toen kunnen trachten gelijke wegen in te slaan als Engeland had gedaan. Nog altoos was, vooral met het land van den zuidelijken stamgenoot vergeleken, de toestand onzer gemeenschapsmiddelen treurig: de spoorwegbouw ging uitermate langzaam, gedeeltelijk met buitenlandsch kapitaal. Regeering zoowel als particulieren gingen wel met plannen tot uitbreiding, ja tot aanleg van een geheel net om, en aan geld ontbrak het niet, allerminst den staat, die, sedert het cultuurstelsel op Java algemeen was ingevoerd, over groote «Indische baten" te beschikken kreeg, zoodat allerlei belasting-verminderingen en schulddelgingen konden plaats hebben, zonder groot bezwaar voor de financiën. Maar voorloopig slaagde men er niet in, tot een vast stelsel te geraken, en de aanleg bleef stukwerk. Evenzoo kwam de hoogst noodige verbetering der groote waterwegen naar zee tot stand. Maar overal werd aan de voorbereiding gearbeid: zelfs de Nederlandsche scheepvaart begon nieuwe wegen op te gaan en het nut van den stoom ook op zee te erkennen.

Het nieuwe leven brak zich overal baan; in 1848 was Nederland uit zijn doffen slaap ontwaakt.

^ ergens bijna was dit zichtbaarder dan in de verhouding tot de koloniën. Eerst de Java-oorlog had eigenlijk het langzamerhand tot het voornaamste deel van het Nederlandsch bezit geworden eiland voor goed aan het Nederlandsch gezag onderworpen. Het gedeelte, dat aan de oude inlandsche vorstenfamiliën voorbehouden bleef, was van geen beteekenis meer in verhouding tot het ouder rechtstreeksch bestuur gebrachte. Dit strekte zeer ten bate der bevolking, want zelfs in die dagen van den loodzwaren druk van het cultuurstelsel, viel het onder-

Sluiten