Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grondslagen eener constitutie vastgesteld. In October 1849 was het werk reeds gedaan en een geregelde regeering ingesteld, niet een als van een territorium onder toezicht der Unie, maar een als van een zelfstandigen, stemhebbenden staat. Onmiddellijk werd de aanvraag gedaan om als lid der Unie te worden toegelaten.

Het duurde echter bijna een jaar eer die verkregen werd. Niet omdat er formaliteiten waren verzuimd of omdat er aan getwijfeld werd, of de nieuwe staat wel aan alle eischen voldeed, welke de constitutie voor toelating van nieuwe staten gesteld bad, maar omdat thans beslist moest worden over de vraag, of Californië als vrije, dau wel als slavenstaat zou worden toegelaten. Voor de inwoners van Californië bestond die vraag niet, want zij waren bijna allen uit de noordelijke staten of uit Europa gekomen en dachten er geen oogenblik aan, in hun land slavernij te dulden, welke zij integendeel in hun constitutie uitdr ukkelijk hadden verboden. Maar toch scheen het een tijdlang alsof zij tot eeti scheuring in de Unie zou leiden, zoo geweldig was de beweging welke zij er deed ontstaan. Maar de beide oudste en invloedrijkste staatslieden der Unie, Henry Clay en Daniël Webster, sloegen de handen ineen om dat te voorkomen en nog eenmaal door een compromis het vreedzaam voortbestaan der Unie met een tiental jaren te verlengen.

Intusschen had de presidentsverkiezing van 1849 een eigenaardig gevolg gehad. Yoor het eerst sedert vele jaren had de democratische partij het onderspit gedolven en was de candidaat der Whigs gekozen geworden. Niet ecliter omdat de Whigs zoo grooten invloed hadden gewonnen, maar enkel en alleen omdat zij den voor het oogenblik, wegens zijn daden in den Mexicaanschen oorlog, populairsten man des lands, generaal Taylor, candidaat hadden gesteld. Zoodoende miste deze presidentsverkiezing de groote beteekenis, welke zij anders voor den partijstrijd zou gehad hebben. Eli ook toen Taylor, na ruim een jaar president te zijn geweest, overleed, bracht het optreden van den vice-president Fillinore slechts geringe verandering in de onzijdige houding der bondsregeering tegenover het groote vraagstuk.

Reeds in 1846 was een poging gedaan om een beslissing over dat vraagstuk te verkrijgen. In het congres was toen het voorstel gedaan, dat in geen der van Mexico te verwerven landeu de slavernij zou mogen worden toegelaten. Tegenover dit voorstel, het zoogenaamde «Wilmotproviso", had de oude en beproefde leider der zuidelijken, Calhoun,

Het oompromis van 1850

Sluiten