Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle vreemdelingen; alleen de havens Nagasaki en Hondo, op het minder belangrijke zuidelijke eiland, bleven voor den buitenlandschen handel geopend. Eenige jaren later, in 1637, werd het nog erger. De handel bleef van toen af alleen geoorloofd aan de Nederlanders en de Chineezen, op zeer bezwarende en vernederende voorwaarden. In 1643 werden de eersten op het kleine eilandje Decima bij Nagasaki opgesloten. Om de Japanners voor goed tegen alle verdere aanraking van vreemdelingen te vrijwaren, werd hun het reizen buitenslands verboden. Zelfs ter zee mochten zij niet verder gaan dan de grenzen der eigen zeeën. Wat men uit het buitenland noodig had, kon men, heette het, door Chineezen en Nederlanders krijgen.

Twee eeuwen lang hebben de sjogoens dien toestand weten te handhaven. De Tokoegawa-dynastie had zich zoo stevig gevestigd, dat het deze ongehoorde wet niet alleen in stand hield, maar er haar onderdanen, groot en klein, aan wist te gewennen, zoodat zij het eindelijk als een natuurlijken toestand beschouwden en de massa des volks van geen vreemdelingen meer wilde weten.

Dat haar macht zoo geweldig was, had de dynastie te danken aan de instellingen, waarmede Tyeyasoe den daïinio's wel grooten rijkdom in landbezit liet, maar hun allen zelfstandigen politieken invloed ontnam, al waren zij ook in hun gebied door middel hunner samoeraï's, zoo goed als onbeperkt meester. Door erfelijke veeten verdeeld, hielden de grooten elkander in toom. Steeds was de eene partij bereid, den sj°ooeni in geval van verzet van de andere, te verdedigen. Alleen in het zuiden lagen de bezittingen van een aantal, den Tokoegawa's niet welgezinde families bijeen. Daar had de sjogoen het minst gezag.

Onder den erfelijken hoogen en lagen adel stond het gewone volk, waarvan de massa als landbouwende pachters op de goederen van den sjogoen en de grooten woonde. De stadsbevolking had niets in te brengen. Handel was er alleen binnenslands. Alleen een zoo levendig volk als de Japanners kon zulk een toestand verdragen, zonder geheel in te slapen. En zelfs zij begonnen er op den duur onder te lijden. In den beginne nam, tengevolge van den nu voor goed herstelden vrede, de welvaart geweldig toe. De sjogoen en de daïmios wedijverden in het bevorderen van kunst en wetenschap, beide op Chineeschen voet. De tweede helft der zeventiende eeuw was een tijd van ongekenden bloei. Maar daarna begon alles achteruit te gaan. Ier handhaving van hun gezag hadden Iyeyasoe en zijn opvolgers een

Sluiten