Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog naar meer verwijderde streken over. In Nubië bevestigde hij de Egyptische heerschappij. Maar zoo hij al zegevierend in Azië doordrong, toch "elukte het hem niet duurzame veroveringen te maken. Al zijne opvolgers hadden met dezelfde vijanden te kampen, welke Sesostris, naar luid der legende, reeds volkomen onderworpen had.

Een geducht oorlogsvorst, de machtigste der Pharao's was Ramses II ongetwijfeld; dat bewijzen de gedenkteekenen op overtuigende wijze, en te gelijker tijd was hij die koning van Egypte, die in de verhevenste bouwwerken zijne nagedachtenis voor de nakomelingschap heeft bewaard. Bijna de helft der ruïnen, die wij nog heden in Egypte bewonderen, is van Ramses den Grooten afkomstig. Thebe versierde hij met de heerlijkste gebouwen. Ook in Nubië stichtte hij prachtige rotstempels, die hij met kostbare beeldbouwwerken opluisterde. .

Niet alleen op deze wijze zochl hij zijnen naam te vereeuwigen; Inj behartigde ook de welvaart van zijn land door het grondvesten van nieuwe steden, door het verbeteren en vermeerderen van de kanalen. Strabo verhaalt, dat Sesostris reeds het plan gevormd had oin den beneden-Nijl, en daardoor dus de Middellandsche zee, met de Roode zee te verbinden; een grootsch ontwerp, dat na duizende jaren weder meermalen ter sprake gekomen en eindelijk in onze eeuw verwezenlijkt is. Sesostris zou zelfs met de uitvoering een begin gemaakt hebben, maar genoodzaakt zijn geworden om van de \oltooiing zijns werks af te zien. dewijl hij bevonden had dat de Roode zee hooger lag dan de Nijl. Ware het kanaal voltooid geworden, dan zou de zee met zulk een geweld daarin gestroomd zijn, dat geheel Egypte onder het water was bedolven geworden. l)it verhaal van Strabo wordt bevestigd dooi de overblijfsels van een kanaal, die zich boven Bubastis van den Nijl naar de Roode zee in eene oostelijke richting uitstrekken.

Op Rainses II volgde zijn zoon Mernephtha (van 1.326 1306 v. L.). Manetho deelt ons omtrent de lotgevallen van dezen koning eene zonderlinge geschiedenis mede. Mernephtha koesterde de begeerte om zijn toekomstig lot van de goden te weten te komen en wendde zich met dit doel tot een wijzen profeet, den zoon van Paapios. Deze antwoordde hem, dat de koning de goden wel aanschouwen kon, maar vooraf moest hij geheel Egypte zuiveren tan alle melaatsche en onreine menschen.

\ De melaatschheid was eene ziekte, die vroeger in de heete luchtstreken zeer algemeen verbreid was en ook in Egypte heerschte. Toen nu de koning alle melaatschen in het geheele land bij elkaar brengen liet, bedroeg bun aantal 80,000. Met geweld van wapenen werden deze ongelukkigen in de steengroeven, ten Oosten van den Nijl, gedreven: daar moesten zij het werk van den geringsten slaaf verrichten. tot welken stand zij vroeger ook hadden behoord. Ook priesters bevonden zich onder de gevangenen, en toen de zoon van Paapios dit hoorde, vreesde hij den toorn der goden. Hij schreet dit neer, en profeteerde dat de melaatschen in opstand komen, hulp van andere onreinen ontvangen en 13 jaren lang over Egypte heerschen zouden. Na het opstellen van dit geschrift doodde hij zich met eigen hand.

Mernephtha werd door vrees bevangen toen hij deze voorspelling las. Hij schonk daarom den melaatschen vrijheid om de steengroeven te verlaten, maar wees hun de door de Hyksos verlaten stad Avaris als woonplaats aan. Onder de melaatschen bevond zich een geleerde priester uit Ileliopolis, Osarsit genaamd; dezen verhieven de onreinen tot hunnen aanvoerder, ze zwoeren hem gehoorzaamheid en namen zijne wetten aan. Op zijn be\el rustten zij zich lot een oorlog tegen den koning uit. Osarsif zond boden naar de Hyksos, in de stad Jeruzalem; hij beloofde hun dal bij de poorten van Avaris voor hen zou ontsluiten, wanneer zij met hem de Egyptenaars bevechten wilden. Hierop kwamen 200.000 man hem te hulp, en met dezen trok hij Mernephtha te gemoet.

Sluiten