Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wel had de koning een geducht leger — 300.000 der beste soldaten uit de kaste der krijgslieden - uitgerust, maar toch onthrak hem de moed om den strijd te wagen, want hij meende dal hij tegen de goden kaïnpen ging. HU week derhalve naar Memphis, nam van hier den Apis en de andere heilige dieren mede, trok met zijn leger naar Ethiopië, en bleef daar vele jaren lang.

De melaatschen en de met hen verbonden herdersstaminen verspreidden zich ten tweeden male over Egypte en heerschten hier met gruwelijke gestrengheid. Zij verbrandden steden en dorpen, plunderden de heiligdommen, vernielden de godenbeelden, slachtten zelfs de heilige dieren en aten hun vleesch niet alleen zeiven op. maar dwongen ook de priesters en profeten om dit te doen.

De jonge zoon van Mernephtha was inlusschen tot een krachtvol jongeling opgegroeid. Hij stelde zich aan de spits van een leger en trok daarmee naar Egypte, terwijl de koning zelf eene andere krijgsbende aanvoerde. Het kwam tot een bloedigen veldslag met de herders en melaatschen, waarin de Egvptenaars de overwinning behaalden. In eene wilde vlucht ontbond zich* bet vijandelijke leger geheel en al; eerst aan de grenzen van Syrië werd de vervolging door de overwinnaars geslaakl. De priester echter, die het bevel over de melaatschen gevoerd had, Osarsif, veranderde zijnen naam en werd voorlaan Mozes genoemd.

Zoo luidt de legende, ons door Manetho meegedeeld, waarin hoogst waarschijnlijk (wee werkelijke gebeurtenissen, een opstand in Egypte en de uittocht der Joden naar het beloofde land onder de leiding van Mozes, tot één verhaal zijn saamgesmolten. Uit de gedenkleekenen blijkt alleen dit, dat waarschijnlijk in Thebe een tegenkoning zich tegen Mernephtha verhief; zeker echter is het. dal deze op den troon der Pharao's is gestorven.

Noch Mernephtha, noch zijne onmiddellijke opvolgers waren in slaal om óf door krijgsverrichtingen óf door bouwwerken ook slechts in de verte den roem van den grooten Rainses II te evenaren. Eerst Ramses III. dien de Grieken Rhampsinitus noemen en die in het jaar 1273 v. C. den troon besteeg, onderscheidde zich weer in beide opzichten. De monumenten hebben van hem de afbeelding van een zeeslag bewaard, dien hij misschien aan de Syrische kus! heeft geleverd. Eene andere afbeelding in een door hem gebouwd paleis te Thebe geeft ons hem te aanschouwen als den teederen vader zijns gezins; hij zit daar omringd van zijne vrouwen of dochters, die hem vruchten en bloemen brengen. Met de eene damt bij, eene andere omarmt hij daarbij, terwijl een derde vertrouwelijk aan zijne voeten zit. Dat bij onmetelijke rijkdommen moet verzameld hebben, wordt ons onder anderen door het boven reeds meegedeelde en aan Herodotus ontleende sprookje van den slimmen dief bevestigd.

Met den dood van Ramses III verbleekt de glans, die den troon der Oud-Egyptische koningen omstraalde. De latere geschiedenis weet langen tijd noch van koene veroveringstochten, noch van reusachtige ondernemingen op hel gebied der bouwkunde te verhalen. Wel hooren wij van een rooftocht, dien koning Sesonchis in het jaar 976 v. C. naar Jeruzalem ondernam en dien bij in een door hem gebouwden tempelvoorhof zelf verheerlijkte, maar overigens zwijgt de geschiedenis van de daden der Pharao's.

Ook de bloei van Thebe was voorbij; de koningen hadden weer in Beneden-Egypte hunne residentie gevestigd. De kracht van het rijk was gebroken. De vroeger onderworpen volken van het Zuiden verdroegen niet langer het juk van de Egyptische veroveraars. Zij maakten zich vrij en vormden een Ethiopischen staat, waarvan Meroë het middelpunt was, en die spoedig zoozeer in macht toenam, dat de Ethiopiërs van onderdrukten op hunne beurt onderdrukkers konden worden.

Koning Sabako van Ethiopië deed in het jaar 720 v. C. met een geducht leger een inval in Egypte. In het vaderland der pyramiden regeerde toen koning Bocchoris, die zijne residentie in Saïs had gevestigd, een wel geld-

Streckfuss. I. 4

Sluiten